Ceders & sparachtigen


Ceders en sparachtigen in de collectie van Pinetum Quatrebras

De dennenfamilie (Pinaceae) omvat wereldwijd ongeveer 250 soorten. Tot deze familie behoren onder andere ceders, hemlocksparren (Tsuga), douglassparren en lariksen. Het zijn overwegend groenblijvende bomen, met uitzondering van enkele geslachten zoals Larix, die in de herfst hun naalden verliezen. De naalden staan solitair of in bundels en de kegels verschillen sterk in vorm en grootte per geslacht. De volgende soorten ceders en sparachtigen zijn te bewonderen in Pinetum Quatrebras.


Cedrus atlantica 'Fastigiata' – zuilvormige Atlasceder

Cedrus atlantica 'Fastigiata' - zuilvormige Atlasceder is een bijzondere vorm van de Atlasceder die vooral opvalt door zijn smalle, sterk opgaande groeiwijze. Jonge bomen hebben een bijna puntige, zuilachtige vorm, maar naarmate ze ouder worden ontstaat een wat bredere, dicht vertakte kroon. De stevige takken dragen korte bundels blauwgroene naalden, waarbij vooral de jonge scheuten een opvallend blauw accent kunnen hebben. De kegels staan rechtop op de takken en vallen door hun tonvormige uiterlijk goed op tussen het naaldgroen. De Atlasceder zelf komt uit de berggebieden van Marokko en Algerije en is aangepast aan zonnige omstandigheden, droge zomers en koude winters op grotere hoogte. ‘Fastigiata’ werd al vóór 1900 in Frankrijk geselecteerd en verspreidde zich daarna door Europese collecties. Juist de combinatie van de statige zuilvorm en het blauwgroene naaldwerk maakt deze cultivar tot een sterk architectonisch gevormde ceder. Zie 'verhalen' voor reisverslag.


Larix gmelinii var. principis-rupprechtii – Prins Rupprecht-lariks

Larix gmelinii var. principis-rupprechtii – Prins Rupprecht-lariks is een bijzondere, bladverliezende naaldboom uit de berggebieden van Noord-China, vooral in de provincies Shanxi, Hebei en Henan. Deze variëteit van de Dahurische lariks groeit van nature op berghellingen, vaak op hoogten tussen 600 en 2.800 meter, waar koude winters en relatief koele zomers heersen. De boom ontwikkelt een doorgaans kegelvormige, later bredere kroon met sierlijk afstaande takken. De zachte, frisgroene naalden staan in bundeltjes op korte loten en verkleuren in de herfst opvallend goudgeel voordat ze afvallen. Kenmerkend zijn de relatief grote, eivormige kegels met talrijke schubben, die bij het openen aan kleine roosjes kunnen doen denken. De Prins Rupprecht-lariks onderscheidt zich van andere variëteiten van Larix gmelinii door zijn krachtige groei en grotere kegels. Dankzij zijn winterhardheid en sierlijke verschijning is het een interessante, maar weinig aangeplante boom voor parken en arboreta.


Cedrus brevifolia – Cyprische ceder

Cedrus brevifolia – Cyprische ceder is een bijzondere, groenblijvende naaldboom die van nature uitsluitend voorkomt in het Troodosgebergte van Cyprus, waar hij vooral op berghellingen van ongeveer 900 tot 1.400 meter groeit. De soort is nauw verwant aan de Libanonceder, maar onderscheidt zich onder andere door zijn opvallend korte naalden – brevifolia betekent dan ook ‘kortbladig’. Jonge bomen vormen een smalle, kegelvormige kroon, terwijl oudere exemplaren uitgroeien tot imposante bomen met een brede, open kroon en karakteristiek horizontaal gerangschikte takken. De cilindrische stam kan meer dan dertig meter hoog worden en draagt later tonvormige, rechtopstaande kegels. Bijzonder is dat deze ceder een zeer klein natuurlijk verspreidingsgebied heeft en daarmee een echte Cypriotische endeem is. De soort is al sinds de oudheid bekend en heeft door houtkap, begrazing en branden een deel van zijn oorspronkelijke leefgebied verloren; tegenwoordig worden de resterende cederbossen streng beschermd. Het geurige en duurzame hout werd vroeger gebruikt voor onder meer bouwwerken, meubels en schepen.


Larix gmelinii var. japonica – Koerilenlariks

Larix gmelinii var. japonica – Koerilenlariks is een bijzondere, bladverliezende naaldboom uit het Russische Verre Oosten, met een natuurlijk verspreidingsgebied op Sachalin en de Koerileneilanden. Deze variëteit van de Dahurische lariks groeit vooral op vochtige, moerassige gronden en is uitstekend aangepast aan koude, winderige omstandigheden. De boom kan ongeveer 30 meter hoog worden, maar blijft op onbeschutte groeiplaatsen vaak aanzienlijk kleiner. De zachte, frisgroene naalden staan in bundeltjes op korte loten en verkleuren in de herfst goudgeel voordat ze afvallen. Kenmerkend zijn de jonge, donker purperbruine twijgen en de kleine, breed eivormige kegels, waarvan de schubben bij rijping sierlijk naar buiten buigen. De Koerilenlariks onderscheidt zich van de gewone Dahurische lariks door zijn kortere naalden en relatief brede kegels.


Cedrus libani ssp. brevifolia 'Julica' – Cyprische ceder

Deze Cedrus libani subsp.. brevifolia 'Julica' – Cyprische ceder hebben we in 2009 gekocht tijdens een landelijke coniferenvergadering. Het bijzondere aan deze boom zijn vooral de korte naalden, een kenmerk dat duidelijk bij brevifolia hoort. Wat precies het onderscheidende kenmerk van de cultivar 'Julica' is, is voor ons nog niet helemaal duidelijk.

De Cyprische ceder komt van nature alleen voor op Cyprus en heeft daar een zeer beperkt verspreidingsgebied. De belangrijkste natuurlijke populatie bevindt zich in het Troodosgebergte, in de Ceder Vallei (Cedar Valley) bij Tripylos, in de Paphos-bossen, ten noorden van het klooster van Kykkos. Het is een bergboom die groeit op plaatsen waar in de wintermaanden zelfs sneeuw kan vallen. Juist deze combinatie van warme, droge zomers en koude winters maakt zijn natuurlijke leefgebied bijzonder.

De Cedrus brevifolia wordt tegenwoordig meestal als zelfstandige soort beschouwd, maar is nauw verwant aan de Libanonceder (Cedrus libani). De korte naalden en de karakteristieke groeiwijze maken hem goed herkenbaar. In zijn natuurlijke omgeving kan de boom uitgroeien tot een forse ceder met een brede kroon en horizontaal uitstaande takken.

Cyprus heeft overigens meer bijzondere coniferen. De Aleppo-den (Pinus halepensis) komt er eveneens voor, maar heeft een veel groter verspreidingsgebied en is over grote delen van het oostelijke Middellandse Zeegebied te vinden.

Een derde opvallende conifeer die we op Cyprus kunnen aantreffen is de Cupressus sempervirens – Italiaanse cipres. Met zijn slanke, zuilvormige verschijning is dit misschien wel de meest karakteristieke boom van het mediterrane landschap. Samen geven deze drie coniferen een mooi beeld van de grote verscheidenheid aan bomen die we tijdens onze reis op Cyprus konden ontdekken.


Cedrus deodara – Himalayaceder

Cedrus deodara – Himalayaceder is een indrukwekkende groenblijvende naaldboom uit de westelijke Himalaya, waar hij van nature voorkomt in Afghanistan, Pakistan en het noordwesten van India. In zijn bergachtige leefgebied kan deze ceder uitgroeien tot een zeer grote boom. Kenmerkend zijn de lange, zachte naalden, die in dichte bundeltjes aan de korte loten staan, en de sierlijk overhangende uiteinden van de takken. Vooral bij oudere bomen ontstaat daardoor een karakteristieke, bijna treurende vorm. De soort groeit van nature op grote hoogte en is goed aangepast aan koude winters.


Tsuga caroliniana – Carolina-hemlockspar

Tsuga caroliniana – Carolina-hemlockspar is een groenblijvende naaldboom uit het oosten van Noord-Amerika, waar hij van nature voorkomt in de bergachtige gebieden van de zuidelijke Appalachen. Het is een relatief kleine hemlockspar met een sierlijke, dichte kroon en fijn afhangende takken. De naalden zijn kort, plat en donkergroen, met aan de onderzijde twee lichtere huidmondjesstrepen. De kleine kegels hangen aan de takken en blijven relatief bescheiden van formaat. De soort groeit van nature vooral op koele, beschaduwde hellingen en langs beekdalen, vaak op zure, goed doorlatende grond.


Tsuga chinensis – Chinese hemlockspar

Tsuga chinensis – Chinese hemlockspar is een groenblijvende naaldboom uit China, waar hij van nature voorkomt in bergachtige gebieden, verspreid over meerdere provincies. Het is een sierlijke boom met een brede, kegelvormige kroon en takken die naar de uiteinden licht overhangen. De naalden zijn plat, zacht en donkergroen aan de bovenzijde, terwijl de onderkant twee duidelijke witte strepen vertoont. De kleine, eivormige kegels hangen aan de takken en rijpen in het najaar. De Tsuga chinensis – Chinese hemlockspar groeit van nature in koele, vochtige bergbossen en kan daar een flinke hoogte bereiken. Door zijn verfijnde naalden, mooie kroonvorm en afhangende takken is het een aantrekkelijke soort voor arboreta en botanische collecties.


Tsuga diversifolia – Noord-Japanse hemlockspar

Tsuga diversifolia – Noord-Japanse hemlockspar is een groenblijvende naaldboom die van nature voorkomt in de berggebieden van Japan, vooral op Honshu en Hokkaido. De soort groeit daar in koele, vochtige bergbossen en is goed aangepast aan strenge winters en veel sneeuw. Het is meestal een middelgrote boom met een dichte, kegelvormige kroon en fijn vertakte, vaak iets overhangende takken. De naalden zijn kort, plat en donkergroen, met aan de onderzijde opvallende lichte strepen. De kleine kegels zijn ovaal en hangen aan de takken. Door zijn compacte groei, fijne structuur en winterhardheid is Tsuga diversifolia – Noord-Japanse hemlockspar een interessante soort voor arboreta en botanische collecties.


Tsuga canadensis 'Minuta' – oostelijke hemlockspar

Tsuga canadensis 'Minuta' – Oostelijke hemlockspar is een bijzondere dwergvorm van de oostelijke hemlockspar, die van nature voorkomt in het oosten van Noord-Amerika. In tegenstelling tot de gewone soort, die kan uitgroeien tot een forse boom, blijft 'Minuta' klein en groeit hij zeer langzaam. De takken zijn dicht bezet met korte, fijne donkergroene naalden, waardoor een compacte en bijna perfecte bolvorm ontstaat. Juist die trage groei maakt dat de vorm jarenlang herkenbaar blijft en slechts langzaam groter wordt. In 2014 hebben we drie exemplaren aangeplant. Het is mooi om te zien hoe deze kleine hemlocksparren zich langzaam ontwikkelen en hun ronde vorm steeds verder uitbouwen.


Tsuga canadensis 'Pendula' – hangende oostelijke hemlockspar

Tsuga canadensis 'Pendula' – Oostelijke hemlockspar is een hangende vorm van de oostelijke hemlockspar, die van nature voorkomt in het oosten van Noord-Amerika. Deze cultivar groeit langzaam en vormt lange, neerhangende takken. De hoofdtak moet regelmatig worden opgebonden; gebeurt dat niet, dan gaat de boom over de grond kruipen. Juist daardoor kun je hem ook prachtig over een muurtje laten groeien. Opvallend aan deze vorm is dat op het midden van de twijg een rij naalden omgebogen staat, waardoor de zilverkleurige onderzijde van de naalden van bovenaf zichtbaar wordt.

In 1997 hebben we deze hemlockspar in het wild verzameld in Oost-Canada, in de omgeving van het Adirondackgebied. Later kregen we van Arie, bij zijn verhuizing naar Zwolle, drie exemplaren. De wild verzamelde bomen zijn in Borger uitgeplant. Het Adirondackgebied ligt tussen New York en Ottawa en is bekend om zijn koude winters en flinke sneeuwval. Dat zie je terug in de begroeiing: ook de balsamspar (Abies balsamea) komt hier veel voor en groeit door de zware sneeuw als een vrij smalle boom. Tijdens de reis door dit gebied hebben we natuurlijk ook Woodstock nog even aangedaan. Zo kreeg de zoektocht naar bomen meteen een klein uitstapje naar een heel ander stukje Noord-Amerikaanse geschiedenis.


Thuja sutchuensis – Chinese levensboom

Thuja sutchuensis – Chinese levensboom is een groenblijvende conifeer uit de cipresfamilie (Cupressaceae), afkomstig uit bergachtige gebieden in China. De boom heeft een smalle, opgaande groeiwijze met fijne, schubvormige, donkergroene bladeren die het hele jaar aan de takken blijven. De soort groeit van nature in koele, vochtige bergbossen en is in het wild zeer zeldzaam, met een beperkt verspreidingsgebied. Hierdoor is deze levensboom vooral bijzonder voor botanische tuinen en gespecialiseerde plantencollecties. In cultuur vraagt hij een beschutte standplaats met voldoende vocht en een goed doorlatende bodem. Door zijn sierlijke vorm en wintergroene karakter kan hij een interessante, maar vrij onbekende toevoeging zijn aan een bijzondere plantencollectie.


Tsuga heterophylla – westerse hemlockspar

Tsuga heterophylla – Westerse hemlockspar is een indrukwekkende boom uit het westen van Noord-Amerika. Het natuurlijke verspreidingsgebied loopt van Zuidoost-Alaska en British Columbia langs de westkust tot in het Siskiyou-gebergte van Noord-Californië. De boom groeit daar in een vochtig klimaat en kan uitgroeien tot een zeer forse bosboom. De naalden zijn fijn en zacht en hebben aan de onderzijde opvallend brede, blauwwitte strepen. Ook de kleine kegels vallen op doordat ze vaak in groepjes aan de takken hangen.

Een bijzonder gezicht zijn de jonge topscheuten, die soms bijna een meter naar beneden kunnen hangen. Na enige tijd richten ze zich weer omhoog en zetten ze hun groei voort. De soort groeit ook bij ons goed, vooral op lichte, niet te droge zandgrond. Bij de ingang van Pinetum Ter Borch staan mooie exemplaren die goed laten zien hoe sierlijk deze hemlockspar kan worden. Op een van de foto's is bovendien een zwarte specht te zien die zich tussen de takken van een hemlockspar heeft verscholen. Zo laat zo'n foto mooi zien dat een boom niet alleen decoratief is, maar ook onderdeel vormt van een levend bos.


Tsuga mertensiana – berghemlockspar

Tsuga mertensiana – Mertens' berghemlockspar is een prachtige hemlockspar met een opvallend blauwgroene kleur. De soort komt van nature voor in de berggebieden van de westelijke kuststreek van Noord-Amerika, van Alaska en British Columbia tot de Sierra Nevada in Californië. Daar groeit hij vaak hoog in de bergen, waar hij te maken heeft met koude winters, veel sneeuw en een korte groeiperiode. De boom groeit langzaam en kan uiteindelijk een flinke leeftijd bereiken, maar wordt doorgaans niet ouder dan ongeveer 500 jaar. Bijzonder zijn de kegels: die behoren tot de grootste binnen het geslacht Tsuga, zijn opvallend langwerpig en hangen aan de twijgen. Juist de combinatie van de blauwige naalden, de bergachtige herkomst en de relatief grote kegels maakt deze soort direct herkenbaar tussen de andere hemlocksparren.


Tsuga sieboldii – Zuid-Japanse hemlockspar

Tsuga sieboldii – Zuid-Japanse hemlockspar is een groenblijvende naaldboom uit het zuiden en midden van Japan. Hij groeit daar vooral in de bergen, op vulkanische hellingen en in vochtige, gematigde bossen, tot ongeveer 1.500 meter hoogte. De boom kan uitgroeien tot zo'n 30 meter en vormt vaak een dichte, brede kroon. Opvallend zijn de korte naalden, die niet allemaal even lang zijn, en de kleine kegels die aan de takken hangen. Het hout is stevig en werd in Japan veel gebruikt, waardoor natuurlijke bestanden plaatselijk onder druk zijn gekomen. Ook begrazing door herten vormt een probleem, omdat jonge bomen en zaailingen worden aangevreten. De soort werd door Philipp Franz von Siebold naar Europa gebracht en is hier al sinds de negentiende eeuw in cultuur.


Pseudotsuga menziesii – douglasspar

Pseudotsuga menziesii – Douglasspar is een indrukwekkende naaldboom uit het westen van Noord-Amerika. Het natuurlijke verspreidingsgebied loopt langs de westkust van Canada en de Verenigde Staten, van British Columbia tot in Californië, en verder landinwaarts. De soort kan zeer groot en oud worden en behoort in zijn oorspronkelijke leefgebied tot de echte reuzen van het bos.

De boom in ons Pinetum is door Philip geplant en heeft ieder jaar een bijzondere gast: ransuilen gebruiken de boom om er te overwinteren. Dat maakt deze Douglasspar voor ons extra bijzonder. De soortnaam menziesii verwijst naar Archibald Menzies, een Schotse botanicus en ontdekkingsreiziger die de boom tijdens de Vancouver-expeditie in 1791 in het noordwesten van Noord-Amerika verzamelde. In het Pinetum staat daarnaast ook een mooi blauw exemplaar. De blauwgrijze naalden geven deze vorm een heel ander uiterlijk dan de groene soort en laten goed zien hoeveel variatie er binnen de Douglasspar te vinden is.


Larix kaempferi – Japanse lariks

Larix kaempferi – Japanse lariks is een bladverliezende naaldboom uit de bergen van centraal Japan. Hij groeit daar vooral op zonnige plaatsen en kan op grote hoogte voorkomen, waar koude winters en sneeuw heel gewoon zijn. De boom groeit vrij snel en kan uiteindelijk 20 tot 40 meter hoog worden. De jonge takken zijn sierlijk en fijn vertakt, terwijl de zachte, lichtgroene naalden in bundeltjes bij elkaar staan. In de herfst verkleuren ze prachtig goudgeel voordat ze afvallen. Ook de kleine kegels blijven na het afvallen van de naalden nog enige tijd aan de takken zitten. De Larix kaempferi – Japanse lariks wordt niet alleen in Japan veel aangeplant voor de houtproductie, maar heeft zich ook in Europa als bosboom goed aangepast. In Nederland komt hij aangeplant voor, maar hij is hier niet inheems.


Larix decidua – Europese lariks

Larix decidua – Europese lariks is een bladverliezende naaldboom van de Europese berggebieden, met zijn belangrijkste natuurlijke verspreidingsgebieden in de Alpen en de Karpaten. De boom is goed bestand tegen koude en sneeuw en kan op grote hoogte groeien. In het voorjaar verschijnen de zachte, lichtgroene naalden in bundeltjes; in de herfst kleuren ze goudgeel voordat ze afvallen. In 2005 hebben we een exemplaar in het wild verzameld in het Reuzengebergte van Tsjechië. Het is een gebied waar de lariks van nature voorkomt, al is de verspreiding in Tsjechië vrij versnipperd. Juist dat maakt de herkomst van deze boom voor ons zo bijzonder: hij komt niet uit een kwekerij, maar heeft zijn oorsprong in het berglandschap van Midden-Europa.


Pseudotsuga menziesii 'Blue Wonder' – blauwe douglasspar

Pseudotsuga menziesii 'Blue Wonder' – blauwe Douglasspar is een opvallende cultivar van de Douglasspar, vooral herkenbaar aan de sterk blauwgrijze naalden. De vorm werd in Nederland uit zaad opgekweekt door P. Lombarts en is al sinds het begin van de twintigste eeuw bekend. 'Blue Wonder' groeit aanvankelijk kegelvormig en blijft duidelijk compacter dan de gewone Douglasspar; na ongeveer tien jaar kan hij zo'n twee tot drie meter hoog zijn. De naalden zijn relatief lang, zacht en intens blauw van kleur, waardoor de boom vooral bij zonnig weer sterk opvalt. De takken kunnen aan de uiteinden wat overhangen, wat de boom een sierlijke uitstraling geeft. Het is een cultivar die juist door zijn uitgesproken blauwe kleur gemakkelijk herkenbaar is tussen de vele groene Douglassparren.



Cedrus atlantica 'Fastigiata' – Zuilvormige Atlasceder │ Larix gmelinii var. principis-rupprechtii – Prins Rupprecht-lariks │ Cedrus brevifolia – Cyprische ceder │ Larix gmelinii var. japonica – Koerilenlariks │ Cedrus libani subsp. brevifolia 'Julica' – Cyprische ceder │ Cedrus deodara – Himalayaceder │ Tsuga caroliniana – Carolina-hemlockspar │ Tsuga chinensis – Chinese hemlockspar │ Tsuga diversifolia – Noord-Japanse hemlockspar │ Tsuga canadensis 'Minuta' – Oostelijke hemlockspar │ Tsuga canadensis 'Pendula' – Hangende oostelijke hemlockspar │ Thuja sutchuensis – Chinese levensboom │ Tsuga heterophylla – Westerse hemlockspar │ Tsuga mertensiana – Berghemlockspar │ Tsuga sieboldii – Zuid-Japanse hemlockspar │ Pseudotsuga menziesii – Douglasspar │ Larix kaempferi – Japanse lariks │ Larix decidua – Europese lariks │ Pseudotsuga menziesii 'Blue Wonder' – Blauwe douglasspar