Verhalen uit het Pinetum
Op deze pagina komen bijzondere verhalen en herinneringen samen die direct of indirect verbonden zijn met het ontstaan, de ontwikkeling, de vormgeving en de collectie van Pinetum Quatrebras. Verhalen over de mensen die zich voor het Pinetum hebben ingezet, bijzondere bomen en hun herkomst, gebeurtenissen die bepalend zijn geweest voor de geschiedenis en persoonlijke ervaringen die kleur geven aan de plek zoals die vandaag is. Zo ontstaat naast de officiële geschiedenis ook een verzameling verhalen die laat zien welke mensen, bomen en gebeurtenissen samen het Pinetum hebben gevormd.
Van moestuin naar Pinetum
Waar nu Pinetum Quatrebras ligt, waren ooit verwaarloosde moestuinen. Heggen waren doorgeschoten, paden overwoekerd en het terrein was op veel plaatsen nauwelijks begaanbaar. In 2008 maakte wethouder Jannie Visscher van de gemeente Groningen het mogelijk om hier, midden in een woonwijk, een Pinetum aan te leggen. Het plan was een altijdgroene tuin te creëren met een grote verscheidenheid aan coniferen, aangevuld met rododendrons, azalea’s, vlinderstruiken, sierheesters, vaste planten en enkele fruitbomen. Bij de indeling lieten we ons inspireren door tuinarchitect H. Copijn, die verantwoordelijk was voor de inrichting van Pinetum Blijdenstein in Hilversum. Mede daardoor kreeg de tuin gebogen, slingerende paden, die een indruk van oneindigheid en verrassende doorkijkjes geven. De grote diversiteit was bewust gekozen, niet alleen voor een bijzondere collectie coniferen, maar ook om ruimte te bieden aan verschillende soorten insecten, amfibieën en vogels.
De aanleg werd vooral door vrijwilligers uitgevoerd. Eerst moest het terrein grondig worden opgeruimd. Vooral het gedeelte bij de eerste flat was een enorme klus. Honderden oude en kapotte stenen en klinkers kwamen tevoorschijn en twee grote containers met afval, gaas en glasscherven werden afgevoerd. Veel stenen kregen vervolgens een tweede leven in tuinmuurtjes en paden. Voor de paden werd onder meer Schots graniet, flagstones, zwerfkeien, grind, basaltstenen, kinderkopjes en kloostermoppen gebruikt. Bij veel paden werd worteldoek aangebracht om de groei van onkruid tegen te gaan.
Langzaam kreeg het terrein de vorm van een groene en gevarieerde tuin. In de zomer van 2009 plaatste de gemeente tien rozenboogjes, die de doorgangen markeerden en het Pinetum al duidelijker vorm gaven. In het najaar werd de haag rondom het Pinetum geplant, waardoor een duidelijke afscheiding van de omgeving ontstond. Ook werd de stoep langs de tuin verbreed van drie naar vijf tegels. Verschillende vijvers werden aangelegd en aan het begin van de Stadsweg kreeg de Japanse tuin vorm. Zo ontstond stap voor stap een gevarieerd geheel van bomen, heesters, bloemen, water en paden.
Bij de ontwikkeling waren verschillende mensen nauw betrokken. Philip Rodenburg leverde veel van de bomen die in het pinetum werden uitgeplant. Milena Huender legde verschillende vijvers aan en ontwikkelt en onderhoudt een gedeelte van de tuin aan het einde van het terrein, richting Quatrebras. Wim de Boer hielp bij de aanleg van de paden en het vrijmaken van het terrein. Wil Leber stelde zijn auto en aanhanger vele malen beschikbaar. Rex (ookwel Rieks) Leber verzamelde de coniferen, ontwierp de grove infrastructuur en legde onder andere de Japanse tuin aan. Wat ooit verwaarloosde moestuinen waren, is dankzij de inzet van vele vrijwilligers veranderd in een prachtig coniferenpark waar iedere voorbijganger van kan genieten.
Bijzondere bewoners
Het Pinetum is niet alleen een bijzondere verzameling bomen en planten, maar ook een aantrekkelijke leefomgeving voor allerlei dieren. Wat hieronder wordt genoemd, is slechts een fractie van de soorten die we in en rond het Pinetum tegenkomen. Een vaste bewoner is de egel, die hier een overvloed aan voedsel vindt. Vooral slakken staan op zijn menu, en daar hebben we er genoeg van. In de winter zoeken egels beschutting in hun holletjes, onder takken en gesnoeid hout in de berm bij de vijver. Ook vogels voelen zich goed thuis in het Pinetum. We zien regelmatig bonte spechten, Vlaamse gaaien, fazanten en groenlingen. In de winter strijken bovendien ieder jaar ransuilen neer in het Pinetum. Meestal zoeken ze hun rustplaats in de Douglas.
Ook rondom het Pinetum is volop leven te ontdekken. Zo zien we regelmatig aalscholvers in het weiland bij het Bevrijdingsbos. Op zonnige dagen worden de vlinderbomen druk bezocht door vlinders, waaronder de prachtige gehakkelde aurelia. Daarnaast zijn er allerlei andere insecten, amfibieën en kleine dieren die profiteren van de grote variatie aan bomen, struiken, bloemen en water in het Pinetum. De aanwezigheid van al deze dieren laat zien dat de oorspronkelijke gedachte achter het Pinetum goed uitpakt: door de grote variatie aan beplanting en leefplekken is een klein, maar waardevol stukje natuur ontstaan midden in de woonomgeving.
Kefalonia, Ainos-gebergte. Abies cephalonica
Op Kefalonia, in het Ainos-gebergte, groeit de authentieke Griekse zilverspar op hoogtes boven de 1400 meter. Dit is geen vermenging met de Borissi of de Bormuelleriana, maar de echte Abies cephalonica. Vanuit ons hotel in Svoronata maken we de reis naar het Ainos-gebergte. Met de navigatie op onze mobiele telefoon rijden we de prachtige route in, omringd door cipressen die langs de weg en tegen de hellingen groeien.
De Griekse zilverspar is een echte bergbewoner en heeft stevige, stijve naalden die rondom de twijgen staan. De vorm die als var. peloponnesiaca wordt aangeduid, wordt tegenwoordig niet door alle botanische bronnen als afzonderlijke variëteit erkend. Ook de vermeende vermenging met Abies borisii of Abies bornmuellerana ligt taxonomisch ingewikkelder dan vroeger werd gedacht. Voor ons was vooral belangrijk dat we deze karakteristieke spar in zijn oorspronkelijke leefgebied konden zien.
Bij Fragata nemen we een onverwachte afslag naar een bergweggetje, kennelijk de snelste route naar de top. We worden omringd door ruïnes en een half ingestorte kerktoren. Dit blijkt een spookdorp te zijn, zwaar getroffen door een aardbeving in 1953. De Afrikaanse plaat botste hier op een diepte van 10 km op de Euroaziatische plaat, waardoor het eiland 60 cm hoger kwam te liggen. Bijna alle huizen op het eiland stortten in, met uitzondering van het noordelijke plaatsje Fiscardo, waar een luchtbel onder het dorp de schokken opving. Tijdens onze wandeling door het dorp besef je pas welke paniek en angst deze gebeurtenis teweegbracht bij de bevolking. Velen verloren hun leven, terwijl overlevenden emigreerden of naar de kust verhuisden, waar ze zich veiliger voelden, en zo het onbewoonbare dorp achterlieten.
We naderen het Nationaal Park vanuit het noorden; de zuidelijke ingang via een bergweggetje is niet aan te raden. De weg is goed berijdbaar en bij de ingang aangekomen, zien we slagbomen. In de zomer zijn deze gesloten vanwege het gevaar voor bosbranden. Het hele park, tot aan het hoogste punt van 1628 meter, is begroeid met de Cephalonica, zonder vermenging met loofhout of andere coniferen. Bij het weerstation bereiken we ons eindpunt. Vanuit hier leidt een brede gravelweg naar prachtige vergezichten.
Onderweg komen we de naamgenoot tegen, de Viola cephalonica, naast enkele varens, de enige vegetatie die we hier aantreffen. Maar we zijn niet gekomen voor de viooltjes; ik zoek naar wat jonge plantjes van de spar. Helaas vind ik niets, dus met mijn rugzak, plastic zakjes en een lepel besluit ik dieper de bush in te gaan. Met mijn bril op en mijn neus bijna op de grond speur ik naar zaailingen. Gelukkig lukt het om enkele te vinden, missie geslaagd! Ik wikkel ze in mos en stop ze in de zakjes, voeg wat grond en zaden toe, en met een beetje water is het klaar.
De bergen zijn vol met geiten, wat naar mijn idee een van de redenen is waarom je geen 3- en 4-jarige bomen ziet. Rondom het weerstation staat een hek. Binnen het terrein groeien veel jonge exemplaren, die hier de kans krijgen om te regenereren zonder de invloed van geiten. Kefalonia is een prachtig groen eiland. Als je naar het noordelijkste deel van het eiland reist, kom je bij Fiscardo, een dorp dat doet denken aan Saint-Tropez. Onderweg maken we foto's van het mooiste strand van Europa, Myrtos Beach. Wanneer de zon schijnt, wat hier meestal het geval is, kleurt het water azuurblauw en het strand wit, wat een prachtig en romantisch plaatje oplevert. Naast de zilverspar en de slanke cipressen kun je hier ook genieten van parasoldennen (Pinea) en zeedennen (Pinaster).
De Molika (Pinus peuce)
Hoog in het Pelister Park in Macedonië groeien de Molika’s, zoals ze ter plaatse worden genoemd. Bij ons is deze bijzondere boom bekend als de Macedonische den (Pinus peuce). De Molika is een vijfnaaldige den en goed herkenbaar aan zijn vrijwel horizontaal uitstaande takken. Het natuurlijke verspreidingsgebied ligt in de berggebieden van de Balkan, met name in Noord-Macedonië, Bulgarije, Albanië, Montenegro, Kosovo en het zuidwesten van Servië. In Macedonië komt de soort slechts op een beperkt aantal locaties voor. Wij bezochten het Pelister Park, vlak bij Bitola en niet ver van de Griekse grens. Het park werd in 1948 opgericht als nationaal park en behoort tot de oudste beschermde natuurgebieden van het land. Tegenwoordig beslaat het ongeveer 17.150 hectare. De Molika is er het symbool van het park en vormt een van de belangrijkste natuurlijke schatten van het gebied.
De betekenis van de Molika gaat verder dan haar bijzondere verschijningsvorm. De soort is resistent tegen de witte dennenroest (Cronartium ribicola), een schimmelziekte die vooral verschillende Noord-Amerikaanse vijfnaaldige dennen zwaar kan aantasten. Om die reden is Pinus peuce ook van belang voor onderzoek en de veredeling van resistente dennen. Daarnaast is de Macedonische den een geliefde boom voor parken en grote tuinen. Hij is uitstekend bestand tegen koude en wordt als zeer winterhard beschouwd. In Pelister groeit de Molika op grote hoogten, plaatselijk tot ongeveer 2.200 meter. De omgeving is prachtig en de dorpjes onderweg zijn betoverend, met veel huisjes die uit natuursteen zijn opgetrokken. Toen wij er eind september waren, was de bevolking al druk bezig met het verzamelen van hout voor de komende winter.
De weg gaat langzaam omhoog en dan komen we bij een slagboom. Na het betalen van de toegangsprijs aan een keurige meneer in uniform mogen we verder rijden. Na het passeren van het dorp verschijnen de eerste Molika’s, aanvankelijk nog gemengd met de Abies borisii-regis, de Boris-zilverden. Deze is goed te herkennen aan de talrijke kegels die vooral hoog in de boom aanwezig zijn. Eenmaal hoger op de berg nemen de Molika’s het landschap steeds meer over. Bij het hotel zijn de vergezichten schitterend en vanaf hier kan een wandeling worden gemaakt; die is zeker aan te bevelen. Aan het begin van het wandelpad staat bovendien een ongeveer 300 jaar oud exemplaar. Zeer indrukwekkend; ik schatte deze boom op zeker 40 meter hoog. De officiële informatie over Pelister benadrukt eveneens de bijzondere betekenis van de Molika: de soort werd hier in 1839 door de Duitse botanicus August Grisebach beschreven en geldt als het levende symbool van het park.
Macedonië is een prachtig land en Pelister laat dat op een bijzondere manier zien. Vanuit Ohrid aan het Meer van Ohrid zijn verschillende natuurgebieden goed bereikbaar, waaronder Pelister, Mavrovo en Galičica. Sinds 2021 heeft Noord-Macedonië daarnaast nog een vierde nationaal park: Šar Planina. Maar voor de liefhebber van bijzondere coniferen heeft Pelister iets extra’s. Hier staat de Molika centraal en tussen de eeuwenoude bomen, de berghellingen en de weidse vergezichten begrijp je waarom deze vijfnaaldige den zo sterk met dit gebied verbonden is.
In de voetsporen van Nico Schellevis naar Marokko (deel 1)
Wijlen Nico Schellevis, destijds beheerder van Pinetum Blijdenstein in Hilversum, maakte de trip naar Marokko al eens, op zoek naar de Atlasceder en de Marokkaanse zilversparren, die lange tijd werden beschouwd als variëteiten of ondersoorten van Abies pinsapo: marocana en tazaotana. Zijn reis begon in Tanger en ging via Meknes naar Taza en vervolgens omhoog naar het Rifgebergte. Onze zoektocht is wat korter en start in Fez. Van daaruit gaan we eerst naar de Midden-Atlas, naar het Nationaal Park Tazekka, waar op de gelijknamige berg een geïsoleerd bestand van Cedrus atlantica te vinden is. Daarna gaat de reis naar het Rifgebergte, op zoek naar de Marokkaanse zilversparren.
Ruim drie uur vliegen is het vanaf Eindhoven naar Fez. Veel douanecontroles en gelijk een formulier invullen met de vraag of je ook in China bent geweest, dit in verband met het coronavirus; het is begin februari 2020. Op naar de parkeerplaats waar onze huurauto staat. Een extra bestuurder zou gratis zijn, maar toch direct € 10,- per dag aftikken voor een leeftijdstoeslag (broer Wil is 81 jaar). We rijden vanaf het vliegveld richting Taza. Onderweg veel velden vol met nu al bloeiende tuinbonen; bij ons zeggen ze poepetonen. Na zo'n 50 kilometer doemen de contouren van de Midden-Atlas op. Nog even doorrijden en vlak voordat je Taza bereikt gaat het rechtsaf, via het stadje Tahla de Atlas in. De weg wordt steeds slechter en we nemen de verkeerde afslag. Het is pikkedonker en de bergweg wordt steeds smaller. Op een gegeven moment worden de rotsblokken en de gaten in de weg steeds groter en besluiten we terug te gaan, bang om de huurauto te beschadigen. Na een uur zoeken vinden we eindelijk de plek waar we twee nachten verblijven: een berghutje bij het kleine meer Lac de Bab Louta.
Het is een eenvoudige slaapplaats, maar dat deert ons niet. De gasfles wordt de volgende ochtend opengedraaid, de geiser aangezet en we kunnen douchen. Er is geen verwarming, dus de jas maar aanhouden tijdens de slaap. De volgende ochtend kijken we onze ogen uit; nooit eerder was het landschap zo indrukwekkend mooi. Een heerlijk ontbijtje wacht op ons. De conversatie is moeizaam en beperkt zich tot wat gebrekkig Frans.
Parc National de Tazekka
Naast de ceders zijn de eiken hier ook goed vertegenwoordigd. Zo vinden we er steeneiken, kurkeiken en Quercus faginea. De Atlasceder (Cedrus atlantica) bevindt zich vooral rond de top van de Jbel Tazekka. Het park kreeg zijn beschermde status in 1950. Aanvankelijk werd een gebied van ongeveer 680 hectare beschermd, voornamelijk om het oude en geïsoleerde Atlascederbos op de Jbel Tazekka te behouden. In 1989 werd het park sterk uitgebreid en tegenwoordig omvat het ongeveer 12.000 à 13.000 hectare. In het park zijn ook prachtige canyons, grotten en watervallen te vinden. Dichtbij ligt bovendien de historische stad Taza. Ceders worden al sinds de oudheid gezien als symbool van schoonheid, kracht en aanzien en worden ook meermaals in het Oude Testament genoemd. Daarbij gaat het vooral om de Libanonceder, een nauwe verwant van de Atlasceder. De Atlasceder is makkelijk te herkennen aan de blauwachtig groene naalden, die op de kortloten in dichte bosjes van ongeveer 20 tot 45 naalden bij elkaar staan.
Nico heeft destijds waarschijnlijk niet geweten dat er in dit park een populatie van de Atlasceder te vinden was, anders was hij hier zeker naartoe gegaan. Onderweg zien we oude olijfbomen, veel geiten en bossen met Pinus canariensis. We zijn bij de voet van de Tazekka en parkeren onze auto. Een jongeman ligt te slapen aan de kant van de weg en blijft daar om op onze auto te passen. Een onverharde weg naar de Jbel Tazekka (1.980 m) voert ons richting de ceders. Halverwege houdt de weg op en gaat hij over in een soort geitenpad. De koning van de bomen is indrukwekkend en de natuur wonderschoon. Onderweg is er ook nog het fantastische uitzicht op de top van de Jbel Bou Naceur (3.340 m), de hoogste berg van de Midden-Atlas. Eenmaal terug genieten we 's avonds van het prachtige meer, het milde klimaat en de heerlijke maaltijd.
De volgende ochtend gaat de rit naar de blauwe stad Chefchaouen. Van daaruit gaan we het Rifgebergte in, op zoek naar de Marokkaanse zilverspar, Abies marocana, en de populaties die van oudsher werden aangeduid als marocana en tazaotana. De reis is gemaakt in februari 2020, vlak voordat de corona-uitbraak ook Europa en Marokko volledig in zijn greep kreeg. Toen we amper terug waren, werden de grenzen gesloten en hadden we zomaar enige tijd langer in Marokko moeten logeren. Gelukkig is ons dat bespaard gebleven, hoewel...
In de voetsporen van Nico Schellevis naar Marokko (deel 2)
Vandaag gaat de reis verder naar Chefchaouen. De plaats staat bekend als de Blauwe Stad en ligt aan een uitloper van het Rifgebergte. Vlakbij ligt het Nationaal Park Talassemtane, waar de Marokkaanse zilverspar (Abies marocana) voorkomt, vroeger ook beschouwd als een variëteit van Abies pinsapo.
Eerst weer terug richting Fez. De tolweg is prima te berijden en het gaat richting Rabat. Bij Meknes van de snelweg af en dwars door de stad heen. Het is vrijdag en dus gebedsdag en erg druk in de stad. Blijven concentreren Leber en geen brokken maken. Voor me een indrukwekkende stadspoort, maar ja, parkeren is niet mogelijk en je wordt steeds gedwongen door te rijden. Jammer, had hem graag wat dichterbij willen bekijken. Na nog een keer misgereden te zijn hebben we dan eindelijk de provinciale weg naar de Blauwe Stad te pakken. Het is geen pretje om op deze weg te rijden: de hele tijd bochten en steeds weer borden met 80, 60 en 40 km. Regelmatig zitten er flinke kuilen in de weg en als er dan tegenliggers aankomen kun je de gaten niet ontwijken. Met moeite halen we gemiddeld 60 km per uur en pas na vijf uur rijden zijn we bij het hotel.
Halverwege worden we door een politieagent aan de kant gezet. Alle papieren laten zien en het klopt allemaal. „U reed te hard”, en op een beeldscherm laat hij het zien. Veertig euro boete, maar omdat het de eerste keer is dat we in Marokko zijn krijgen we een tientje terug. De tweede agent lacht naar mij en een uitgeschreven bekeuring krijgen we niet, dus dat gaat zo de broekzak in. Rechtsboven de oude stad.
Nog even doortrappen en we bereiken ons doel voor vandaag. Vlak voordat je Chefchaouen binnenrijdt heb je een prachtig uitzicht over de stad. Chefchaouen werd in 1471 gesticht. Na de val van Granada in 1492 vestigden zich hier veel Moorse en Joodse vluchtelingen die Spanje ontvluchtten voor de vervolging tijdens de Reconquista en de Spaanse Inquisitie. In de twintigste eeuw kwamen opnieuw vluchtelingen naar deze streek, onder meer tijdens de Spaanse Burgeroorlog en de Tweede Wereldoorlog.
Naar Nationaal Park Talassemtane
De volgende dag staat onze gids Anes om 9 uur al te wachten met zijn fourwheeldrive. De tour is geboekt via Tripadvisor en is aan te bevelen. Het gaat richting het Rifgebergte, waar de auto over vrijwel onbegaanbare geitenpaden zijn weg omhoog vindt richting Jbel Tissouka, waarvan de top ruim 2.100 meter hoog is. Het Rifgebergte is ook het centrum van de cannabisteelt. De planten groeien hier gedurende het warme seizoen; op de velden liggen nu alleen nog wat uitgedroogde stronken. We komen bij Bab El Ars, wat volgens onze gids zoiets betekent als „de deur naar de pinsapo”.
Rechts van ons een piramidevormige berg, vrijwel uitsluitend begroeid met de Marokkaanse zilverspar.
We mogen uitstappen en een stuk door het bos lopen (zie filmpje). Prachtige vergezichten naar de toppen van de Sfiha en de Lakraa. Na nog een tijdje rijden bereiken we Plaza de España. Hier groeien Atlasceder (Cedrus atlantica) en Marokkaanse zilverspar (Abies marocana) samen. Normaal kan hier in deze tijd van het jaar sneeuw liggen, nu is het echter weldadig met 20 graden. Reisleider Anes vertelt mij dat hij hier voor grotere groepen barbecues organiseert. Naast de eerder genoemde bomen komen hier onder andere ook Pinus pinaster en Juniperus oxycedrus in het wild voor.
Rechts de Atlasceder met lichte stam en links de zilverspar, Abies marocana.
Rechts de Cedrus atlantica op de berg Tissouka, 14 februari 2020. Op de achtergrond zilversparren.
Onze chauffeur Anes staat ons toe kleine boompjes te verzamelen en dat lukt aardig. Wilhelmus wat grotere en zelf alleen zaailingen en zaad. Vele foto's en filmpjes worden gemaakt van dit wonderschone gebied. De combinatie van Atlasceder en Marokkaanse zilverspar is bijzonder; beide soorten komen in Talassemtane plaatselijk samen in gemengde bossen.
Er is nog een vorm van de Marokkaanse zilverspar die van oudsher bekendstaat als Abies pinsapo var. tazaotana en voorkomt in de omgeving van Jbel Tazaot. Nico bezocht destijds deze berg wel. Helaas ontbreekt het ons aan de tijd om deze plek ook nog te bezoeken, want we willen ook nog een bezoekje brengen aan de Blauwe Stad.
Reisleider Anes geflankeerd door Rieks en Wil Leber.
De volgende ochtend moeten we alweer vroeg de Blauwe Stad verlaten. Het gaat richting Fez. Vlak voor Fez een restaurantje; in een kioskachtig huisje kun je stokbrood kopen. Nooit smaakte stokbrood zo lekker. Er is helaas geen tijd meer om de oude binnenstad van Fez te bekijken. Fez zelf doet erg mondain aan. Ruim op tijd zijn we bij het vliegveld en weer volgt een uitgebreide douanecontrole. Ze zijn weer lang bezig met meneer Leber, met zijn stenen en grote planten. Uiteindelijk bereiken we de vertrekhal en na ruim drie uur vliegen landen we weer op Eindhoven.
Rieks
Bijzondere Picea asperata
Deze bijzondere Picea asperata var. notabilis (drakenspar) komt uit een klein verspreidingsgebied in West-Sichuan in China. De variëteit die wij destijds als Picea asperata var. notabilis ontvingen, werd in 1998 door Nico Schellevis aan ons geschonken. In die tijd was het vrijwel onmogelijk om zelf bomen uit China te verzamelen, waardoor we bijzonder blij waren met dit zakje zaad. Met veel zorg zijn de zaden opgekweekt en inmiddels staan er nog acht exemplaren in het Pinetum Quatrebras. De bomen doen het uitstekend en zijn inmiddels een sieraad voor de tuin. Sommige exemplaren vormen meerdere kopscheuten, terwijl andere juist één duidelijke hoofdscheut hebben.
Jarenlang bleef voor mij de vraag bestaan waarom Picea asperata in het Nederlands drakenspar wordt genoemd. In het voorjaar van 2018 kreeg ik daar eindelijk een antwoord op. In april verschenen aan de boom de rechtopstaande, purperen vrouwelijke kegels, die in eerste instantie sterk aan die van een zilverspar doen denken. Naarmate het seizoen vorderde, werden ze zwaarder en gingen ze hangen. Opvallend was dat ze vaak met drie of vier bij elkaar stonden. Plotseling zag ik de overeenkomst: die groepjes kegels leken op de klauwen van een draak. Het is een persoonlijke verklaring voor de naam, maar sindsdien kan ik de boom nauwelijks nog anders bekijken.
De draak heeft in China bovendien een bijzondere betekenis. Hij is het vijfde dier in de twaalfjarige Chinese dierenriem en staat ook symbool voor de keizer. Het teken is er zeer populair en wordt als gunstig beschouwd. Vooral het idee dat een kind onder het teken van de draak geboren wordt, spreekt veel ouders aan. In een Chinees drakenjaar is daarom vaak een duidelijke stijging van het aantal geboorten te zien.
Op de eerste foto zijn zowel de mannelijke als vrouwelijke bloeiwijzen goed zichtbaar. De spar is eenhuizig, wat betekent dat beide typen bloeiwijzen op dezelfde boom voorkomen. De jonge naalden kunnen bij het uitlopen een violetachtige tint hebben, die mooi aansluit bij de kleur van de mannelijke bloei. De naalden zijn stevig, vierkant van doorsnede en vaak wat gekromd. De boom ontwikkelt krachtige, lange scheuten en kan in zijn natuurlijke omgeving uitgroeien tot een forse bergspar.
De naamgeving rond deze boom is in de loop der tijd veranderd. De vorm die wij destijds als var. notabilis ontvingen, wordt tegenwoordig niet door alle botanische bronnen op dezelfde manier behandeld en wordt ook in verband gebracht met heterolepis. Dat maakt oudere verzamelde planten en hun oorspronkelijke namen extra interessant. Binnen Picea asperata zijn bovendien verschillende vormen en variëteiten beschreven, waaronder ponderosa, retroflexa en aurantiaca. Die laatste is bijzonder zeldzaam en is slechts bekend uit een klein gebied ten westen van Kangding.
De drakenspar is een echte subalpiene soort en kan in de bergen van Sichuan tot ongeveer 3.800 meter hoogte voorkomen. Daar groeit hij onder omstandigheden waarin koude, sneeuw en een kort groeiseizoen de ontwikkeling sterk bepalen. Binnen dezelfde groep van nauw verwante sparren worden onder andere Picea abies, Picea koraiensis, Picea meyeri en Picea crassifolia genoemd.
Voor ons blijft echter vooral het verhaal achter de boom belangrijk. Een klein zakje zaad dat in 1998 van Nico Schellevis kwam, groeide uit tot acht bijzondere bomen in het Pinetum. En dankzij de ontwikkeling van die purperen kegels in het voorjaar van 2018 kreeg de naam drakenspar voor mij eindelijk een gezicht. Wanneer de kegels later in groepjes aan de takken hangen, is het niet moeilijk om er de klauwen van een draak in te herkennen.
Cyprus, op zoek naar de Cedrus brevifolia
In maart 2014 zijn we naar Cyprus geweest om een van de vier cedersoorten in haar natuurlijke omgeving te ontdekken: de Cedrus brevifolia – Cyprische ceder is een groenblijvende conifeer die van nature voorkomt in het Troodosgebergte op Cyprus. Hij groeit daar op droge, rotsachtige hellingen en blijft doorgaans kleiner dan de verwante Libanonceder. De soort dankt zijn botanische naam brevifolia (‘kortbladig’) aan de relatief korte, blauwgroene naalden, die in dichte bundels staan. Oudere bomen ontwikkelen een brede kroon met karakteristiek horizontaal uitstaande takken; de Cyprische ceder.
De Ceder vallei ligt in het westelijke deel van het Troodosgebergte. Hier groeien nog natuurlijke bossen van de Cedrus brevifolia. De soort komt voor in verschillende deelgebieden, waaronder Tripylos, Mauroi Kremoi, Ellias, Throni en Exo Milos. Vanaf de berg Tripylos heb je een prachtig uitzicht over de vallei.
Onze thuisbasis is Kyrenia, ter plaatse Girne genoemd, in het noordelijke, Turkse deel van Cyprus. Omdat het huren van een auto en het oversteken van de grens nogal wat voeten in de aarde heeft, nemen we een dolmuş naar Nicosia, steken daar te voet de grens over en huren aan de Griekse kant een auto. Na de nodige controles en een stevige stempel in het paspoort kunnen we op weg. Via de B9 rijden we richting Troodos. Het is even wennen aan het links rijden, vooral bij het schakelen. Na ongeveer twee uur bereiken we Pedoulas, waar we overnachten. Na het inkwartieren gaat de reis meteen verder richting de Ceder vallei.
De bosweg naar de vallei loopt tussen het Kykkos-klooster en Stavros tis Psokas. Vanaf de parkeerplaats wandelen we in ongeveer een uur naar de top van de Tripylos, op 1.362 meter hoogte. Het gebied wordt beheerd door het Cypriotische staatsbosbeheer. Hier groeien duizenden Cyprische ceders, samen met de Brutia-den (Pinus brutia).
De Cedrus brevifolia – Cyprische ceder is een groenblijvende conifeer die van nature voorkomt in het Troodosgebergte op Cyprus. Hij groeit daar op droge, rotsachtige hellingen en blijft doorgaans kleiner dan de verwante Libanonceder. De soort dankt zijn botanische naam brevifolia (‘kortbladig’) aan de relatief korte, blauwgroene naalden, die in dichte bundels staan. Oudere bomen ontwikkelen een brede kroon met karakteristiek horizontaal uitstaande takken.
Na een paar kilometer klimmen verschijnen de eerste betoverende uitzichten over de vallei, met de ceders die zich mengen tussen de Brutia-dennen. Wat vooral opvalt, is de geringe natuurlijke verjonging. Langdurige droogte maakt het jonge bomen moeilijk en daarnaast vormt bosbrand een voortdurend risico voor dit kwetsbare leefgebied. De oude ceders kunnen gelukkig honderden jaren oud worden, sommige naar schatting meer dan vijfhonderd jaar. Boven op de Tripylos werpen we nog één keer een blik over de vallei. Even niets anders dan de rust, de bergen en de prachtig glanzende ceders. Een bijzondere ontmoeting met een boom die we normaal gesproken alleen in het Pinetum bewonderen.
Rex Leber
Sparren op kale rotsen
De Adršpach-rotsen behoren tot een van de grootste en wildste rotsformaties van Midden-Europa. Deze bijzondere ‘stenen stad’ in het Sudetengebied bestaat uit een labyrint van kloven, ravijnen en hoge zandstenen rotsformaties. In oorlogstijd en wanneer er ander gevaar dreigde, trok de bevolking zich terug tussen de rotsen. Het gebied is dan ook al eeuwenlang verbonden met geheimzinnige verhalen over bosfeeën, rovers en hekserij. De toeristische route door de stenen stad heeft een lengte van 3,5 kilometer en voert langs indrukwekkende rotsformaties, waarvan sommige tientallen meters hoog zijn. Veel rotsen hebben toepasselijke namen gekregen, zoals het Liefdespaar en de Dondersteen. Het gebied is van een ongekende schoonheid en oefent een bijna betoverende aantrekkingskracht op je uit wanneer je erdoorheen wandelt.
Onderweg zie je de fijnspar (Picea abies) op vrijwel kale rotsblokken groeien. De wortels omklemmen de rotsen en zoeken via spleten hun weg naar de onderliggende bodem. Het is ongelooflijk dat zulke grote bomen op deze manier voldoende houvast vinden en bij harde wind niet omvallen. (foto) Langs de Metuje is een bijzondere plantengemeenschap ontstaan van planten en mossen die in of langs stromend water leven. Interessant is het bronmos (Fontinalis antipyretica), waarvan de stengels enkele decimeters lang kunnen worden. En dan is er dat prachtige blauwe plantje. Na wat speurwerk kom je erachter dat het een gentiaan is, waarschijnlijk Gentiana asclepiadea. Steeds bleef er iets knagen: waar kende ik die naam toch van? En eindelijk was het er: onze Duitse vriend Heino zingt erover: “Blau, blau blüht der Enzian”. Luister maar eens op YouTube. Alleen gaat zijn lied natuurlijk niet specifiek over deze gentiaansoort.
Op weg naar Praag kunnen we het niet laten om wat zaailingen van de Europese lork (Larix decidua) te verzamelen. In de Sudeten werd de plaatselijke vorm vroeger wel aangeduid als Larix decidua subsp. sudetica. Tegenwoordig wordt deze meestal niet meer als afzonderlijke ondersoort erkend. De Europese lork komt van nature voor in verschillende berggebieden van Midden-Europa, waaronder de Alpen, Sudeten en Karpaten; ook in het Tatragebergte, op de grens van Polen en Slowakije, komen natuurlijke populaties voor.
Rieks Leber
Peloponnesos, Abies cephalonica
De Peloponnesos is een zuidelijk gelegen schiereiland van Griekenland. Hier groeit in het Oros Taygetos-gebergte de Griekse zilverspar (Abies cephalonica). In dit gebergte en in het Ainos-gebergte op Kefalonia vind je populaties van de Griekse zilverspar. Ze worden als zuiver beschouwd, in die zin dat er geen vermenging is met Abies borisii-regis, die voorkomt in Macedonië en Bulgarije. In het noordelijke deel van Griekenland komen beide soorten en/of vormen namelijk in het Pindusgebergte voor.
Het Taygetos-gebergte loopt van noord naar zuid en is ongeveer 120 km lang en 30 km breed. Alleen tussen Kalamata en Sparti loopt aan de noordkant van het gebergte een bergweg dwars door het gebied. Op andere plaatsen kun je vanuit het oosten of westen de hogere bergen bereiken, maar kun je er niet overheen. Meestal vind je de Abies cephalonica op noordelijke bergruggen.
Maanden geleden is de vliegreis naar Athene met Transavia al geboekt. Tot kort voor de reis blijft er steeds de onzekerheid of de vlucht niet geannuleerd zal worden. Door vertraging komen we laat aan in Athene en nemen we een transfer naar een hotel op 7 km van het vliegveld. Een hotel op de luchthaven zelf is onbetaalbaar. De volgende ochtend gaan we terug om de huurauto op te halen. Een Audi A1 staat klaar, lekker karretje trouwens.
Op weg naar Kalamata rijden we over een prima tolweg van 260 km. Mocht je hem een keer rijden: neem bij de tolpoorten een ingang met een mannetje en houd je creditcard gereed. Dit gaat prima en je hebt geen gedoe met munten. Onze studio heeft uitzicht op zee en er is zowaar een tuintje met een leuk zitje onder twee olijfbomen. Allemaal prima. De volgende ochtend gaan we direct op stap en nemen we de bergweg van Kalamata naar Sparti.
Prachtige landschappen onderweg, met de bekende smalle cipressen in boomvorm, met takken, en de Pinus halepensis. En daar is ze: een vrouwtje met een groep geiten en een prachtig uitgedoste ezel. Ze praat maar door en wij verstaan er natuurlijk niets van. De bergbevolking is arm, je ziet het aan de kleding en de bescheiden onderkomens, de jeugd is vaak weggetrokken en de ouderen blijven over. Na het dorp een klim en daar een bankje waar we een prachtig uitzicht hebben op het dorp en de vallei.
Mijn gedachten gaan terug naar de tijd dat de Grieken in grote delen van het Middellandse Zeegebied de baas waren en de beginselen van de huidige democratie introduceerden. Ja, daar lopen ze, de stoere Spartanen. Te voet zijn ze op weg naar Kalamata, alwaar ze zullen inschepen.
Na twee uur dalen, stijgen en draaien zien we plotseling in de verte sparren, goed herkenbaar aan de nieuwe uitlopers. Stoppen aan de kant van de weg. Misschien kunnen we erbij komen. Helaas heeft deze gedachte maar een kort leven: een diepe kloof, bijna een ravijn, en ondoordringbaar struikgewas liggen tussen de sparren en de weg.
Wat me steeds bijblijft, is de ongekende schoonheid van deze omgeving. Heel veel bloeiende planten, kleurrijke rotsen die gebruikt worden voor de in Mani-stijl opgetrokken huizen. Af en toe zijn bergwanden helemaal geel van de bloemen, waaronder brem, lavatera’s en heel veel kruiden. Door naar Sparta, maar geen mogelijkheid om bij de zilversparren te komen. Op de kaart staat ten zuiden van Sparti een bergweggetje dat naar Mystras gaat. Daar hebben we misschien meer kans.
Mystras was in de late Byzantijnse periode een belangrijke stad, die in de 13e eeuw tegen een bergrug werd opgebouwd. Nu is het een verlaten historische stad. Tip: neem een taxi omhoog en wandel vervolgens naar beneden.
Het is al laat en we gaan via de noordelijke tolweg terug. Na bestudering van de kaart en de TomTom, op zoek naar mogelijk berijdbare bergweggetjes, lijkt een benadering van de zijkant van het gebergte de beste optie. Morgen bij Kardamyli, vlak boven Stoupa, de bergreus omhoog rijden en vervolgens voldoende hoogte bereiken om de vindplaats van de Abies cephalonica te bereiken.
Tot op 1000 meter hoogte staan er prachtige bungalows langs de weg, allemaal natuurlijk met een prachtig uitzicht op zee. Onderweg een ruïne. Toch maar even een fotootje. Ja, want ze hebben iets, die ruïnes, en ze bekoren mij altijd. Geen verkeer, maar toch goed berijdbare wegen, en weer doemen ze op.
We kunnen zelfs met de auto een paadje op, waar onze Griekse god tegen de rotswand groeit.
Na een halfuur hebben we voldoende twee- en driejarige boompjes verzameld. De wortels met mos omwikkelen, wat bergwater erbij en in het plastic zakje. Het is mijn succesformule, waarbij zelfs net opgekomen zaailingen het overleven. Ja, het is een vak. Wild verzamelen noemde Nico Schellevis dit. De missie is volbracht en de volgende dag gaan we op de toeristische toer en bezoeken we Stoupa.
De plaats Stoupa is prachtig gelegen aan een baai en in mei nog bijna toeristenvrij. Stoupa is een prima locatie om ook het meest zuidelijke deel van de Peloponnesos, de Mani, te bezoeken. Rust en schoonheid wisselen elkaar af en de kans is aanwezig dat je onze Koning tegenkomt ;-) Iets zuidelijker van Stoupa ligt Agios Nikolaos, een pittoresk vissersplaatsje met mooie terrassen aan het water. Zeker bezoeken.
We maken ons in Nederland erg druk over de stikstof en misschien wel terecht. We praten erg veel, maar doen maar matig iets aan onze natuur. In landen als Roemenië, Bulgarije, Griekenland, Noord-Macedonië en Turkije, die we de laatste jaren hebben bezocht, zien we dat ze op veel plaatsen zorgzaam omgaan met de natuur, biologisch verbouwen en veel bomen aanplanten. Er is ongerepte natuur, biodiversiteit en zorgzaamheid. Als je dan terugkomt in Nederland, denk je: wat doen we het hier toch goed fout. De grond injecteren en alle weidevogels wegjagen.
De Griekse zilverspar heeft radiaal afstaande naalden met aan de onderzijde twee blauw-witte strepen. De naalden zijn scherp gepunt. De boom is eenhuizig, wat betekent dat de mannelijke en vrouwelijke kegels op dezelfde boom voorkomen. De kegel is vrij lang en slank en heeft uitstekende schubben. De boom loopt al vroeg uit, begin mei, en is daarom vatbaar voor vorstschade. Mocht je een keer de regio willen bezoeken, dan is het advies iets te regelen tussen Sparti en Gytheio. De E961 tussen deze twee plaatsen biedt voldoende opgaande bergweggetjes waar je de zilverspar kunt vinden.
Rieks.
Reis naar Pirin-gebergte, Bulgarije (Pinus heldreichii)
In 2016 reisden we naar Bulgarije, naar het indrukwekkende Pirin-gebergte, op zoek naar een van de beroemdste Bosnische dennen van Europa: de Baikushevs-den. Deze bijzondere Pinus heldreichii staat vlak bij de Banderitsa-hut, aan de weg richting de Vihren-hut, en wordt geschat op meer dan 1.300 jaar oud. De boom werd in 1897 ontdekt en beschreven door de Bulgaarse bosbouwer Kostadin Baikushev, naar wie hij is vernoemd. Het is een van de oudste bekende naaldbomen van Europa en zeker een van de meest indrukwekkende exemplaren van de soort.
De Bosnische den is van oorsprong een bergbewoner van de Balkan en Zuid-Italië. Hij groeit op zonnige, droge en vaak rotsachtige hellingen, meestal op kalkrijke bodems, en kan tot ver boven de 2.000 meter hoogte voorkomen. Juist op plaatsen waar de omstandigheden voor veel andere bomen te zwaar worden, voelt deze den zich thuis. In het Pirin National Park vormt hij samen met onder andere de Macedonische den, fijnspar en bergden een belangrijk onderdeel van de bergbossen. Het park beslaat ruim 40.000 hectare, telt tientallen hoge bergtoppen en heeft als hoogste punt de Vihren, met 2.914 meter. Het landschap wordt gekenmerkt door diepe dalen, steile rotswanden, gletsjermeren en uitgestrekte naaldbossen.
Wij verblijven in Bansko, het schilderachtige plaatsje aan de voet van het Pirin-gebergte, op ongeveer twee uur rijden van Sofia. In de zomer is het hier een uitstekende uitvalsbasis voor bergtochten. De weg voert ons steeds hoger de bergen in. Onderweg stoppen we bij een restaurant waar we genieten van een heerlijke forel. Achter de parkeerplaats staat bovendien nog een indrukwekkende oude Bosnische den, die ons alvast een voorproefje geeft van wat verderop te zien zal zijn.
Wanneer we verder rijden, verandert het landschap voortdurend. De rechte stammen van de grove den (Pinus sylvestris) kleuren roodachtig en oranje in het zonlicht en daarachter openen zich steeds indrukwekkender uitzichten over het ongerepte bergland. Vlak voor de Vihren-hut staat dan, rechts van de weg, de Baikushevs-den. Een houten trap brengt ons naar de boom. Het enorme wortelgestel en de zware stam maken onmiddellijk indruk. Mijn broer Wil controleert met een zakdoek de stamomtrek die eerder op ongeveer 660 centimeter was gemeten. Onze meting komt daar inderdaad bij in de buurt. Bij een van de zware zijtakken meten we een doorsnede van ongeveer 120 centimeter. Het blijft bijna onvoorstelbaar dat deze boom hier al meer dan duizend jaar staat.
De Bosnische den heeft een heel eigen uitstraling. De stevige, donkergroene naalden staan met twee bijeen en blijven meerdere jaren aan de boom, waardoor de kroon dicht en vol blijft. De kegels zijn eerst groen tot blauwachtig en verkleuren later naar bruin. Jonge twijgen zijn opvallend grijsachtig. Maar vooral de stam is bijzonder. Bij jonge bomen is de schors nog vrij glad en grijs, terwijl oudere bomen een dikke, sterk opgebroken schors ontwikkelen. De onregelmatige schorsplaten vormen een soort natuurlijk mozaïek, waardoor de stam bijna iets weg heeft van een pantser of een oude stenen muur. Het is een van de kenmerken die deze den zo herkenbaar maken.
De naam heldreichii verwijst naar de Duitse botanicus Theodor von Heldreich. De soort werd in 1863 wetenschappelijk beschreven door de Zwitserse botanicus Konrad Hermann Heinrich Christ. In Bulgarije staat de soort bekend als de zwarte mura, terwijl de nauw verwante Macedonische den daar de witte mura wordt genoemd.
Het Pirin-gebergte heeft een uitzonderlijk rijke flora. Naast de Bosnische en Macedonische den groeien hier onder andere taxus, fijnspar, grove den, Bulgaarse zilverspar en bergden. De berghellingen zijn bovendien het leefgebied van dieren als gems, edelhert, ree, wild zwijn, bruine beer, wolf, vos en wilde kat. Tussen de bergen liggen talloze gletsjermeren en watervallen, waardoor het landschap voortdurend blijft verrassen.
Bij de Vihren-hut kun je de auto achterlaten en wandelingen maken die variëren van een korte tocht tot een dagwandeling door het hooggebergte. Het is een omgeving waarin je vanzelf langzamer gaat lopen en vooral gaat kijken. De rust, de zuivere berglucht en de enorme natuur maken een diepe indruk.
Naast het Pirin-gebergte is ook een bezoek aan het Rilaklooster zeker de moeite waard. Het historische plaatsje Melnik, met zijn oude straatjes en bijzondere ligging tussen de zandsteenformaties, is eveneens een mooie bestemming. En eenmaal terug in Sofia maken de gouden koepels van de Alexander Nevski-kathedraal opnieuw indruk.
Toch is er één beeld dat steeds terugkomt: de oude Baikushevs-den, daar hoog in het Pirin-gebergte. Een boom die al eeuwenlang sneeuw, wind, droogte en zomerhitte heeft doorstaan. Je staat er even bij stil dat deze den hier al stond voordat veel van de geschiedenis die wij kennen zich had afgespeeld. Misschien is dat wel het mooiste aan oude bomen: ze laten je niet alleen naar een boom kijken, maar ook naar de tijd zelf.
De Japanse tuin is klaar
Foto's genomen op 3 september 2011, kort nadat de Japanse tuin was voltooid. Op de derde foto is een van de weinige winterharde yucca’s te zien. Harry en Rex praten nog even na en genieten van het resultaat van de aangelegde rotstuin.
Polizzi Generosa - Abies nebrodensis – Siciliaanse zilverspar
Abies nebrodensis – Siciliaanse zilverspar is een van de zeldzaamste zilversparren van Europa en komt van nature alleen voor op Sicilië. De soort ontleent zijn naam aan het Nebrodi-gebergte, maar groeit tegenwoordig uitsluitend nog in het Parco delle Madonie in het noorden van het eiland. De bomen vormen meestal een vrij smalle kroon en hebben donkergroene, relatief korte naalden die dicht langs de twijgen staan. Zoals bij andere zilversparren staan de kegels rechtop op de takken en vallen ze bij rijpheid uiteen. Sommige oudere bomen ontwikkelen een opvallende, onregelmatige groeivorm waarbij de takken bijna haaks uit de stam groeien. Daaraan dankt de soort ook de bijnaam ‘kruisbeeldboom’. De combinatie van zijn beperkte verspreidingsgebied en bijzondere groeivormen maakt deze zilverspar tot een van de meest opmerkelijke bomen van de Siciliaanse bergflora.
Ooit vormde Abies nebrodensis veel grotere bossen op de berghellingen van Sicilië. Eeuwenlange houtkap, begrazing en veranderingen in het landschap brachten de soort echter steeds verder terug. Begin twintigste eeuw werd zelfs aangenomen dat de boom was uitgestorven. In 1957 werden 29 overlevende bomen herontdekt op de noordelijke hellingen van de Madonie. Sindsdien zijn er beschermingsmaatregelen en aanplantprogramma's uitgevoerd, waardoor de populatie weer is uitgebreid. Het verhaal van de soort draait daardoor niet alleen meer om de enkele overgebleven bomen, maar ook om de poging om een verdwenen bosbeeld opnieuw op te bouwen.
Op zoek naar deze laatste wilde zilversparren kwamen we vanuit Polizzi Generosa terecht in het berggebied rond Montagna Scalone. De wandeling voerde ons van ongeveer 1.100 naar 1.600 meter hoogte, door een opvallend droog en rotsachtig landschap. Onderweg zagen we duizenden aangeplante Atlasceders, die zich goed lijken aan te passen aan het warme Siciliaanse klimaat. Ook Pinus halepensis viel op tegen de lichte kalkrotsen. Pas hoger in de bergen bereikten we het gebied waar Abies nebrodensis nog voorkomt. Juist de combinatie van het mediterrane landschap, de geïsoleerde berggroeiplaats en het bewogen verleden van deze soort maakte de ontmoeting met de Siciliaanse zilverspar bijzonder. Hier is goed te zien hoe kwetsbaar een boomsoort kan worden wanneer haar leefgebied steeds kleiner wordt — en hoeveel verschil bescherming vervolgens kan maken.
In memoriam Philip Rodenburg – man van het eerste uur
Zo’n dertig jaar geleden begon Philip Rodenburg met een volkstuintje. Verschillende buren sloten zich daarbij aan, onder anderen Sietse, Huisjes, Piet, Harrie en Leo, al doen we daarmee ongetwijfeld nog een aantal mensen tekort. Philip was een tuinder in hart en nieren. Bijna altijd was hij met plantjes in de weer en met zijn onafscheidelijke aspergesteker in de hand, waarmee hij niet alleen asperges stak, maar ook het onkruid te lijf ging. De tuin betekende veel voor hem en we konden het samen goed vinden. Samen hebben we ons ingezet om de tuinen bij de Wimpel te behouden. Toen er plannen waren om de Stadsweg te verlengen ten koste van de tuinen, kwamen bijna alle bewoners van de Wimpel en de Noorddijkerweg in actie. Dankzij die gezamenlijke inzet konden de plannen worden verijdeld. Met de steun van onder anderen wethouder Jannie Visscher kregen we vervolgens de kans om van het gebied een Pinetum te maken. Een groot aantal bomen die Philip zelf had opgekweekt, kreeg daarmee een plek in het Pinetum en leeft daar nog altijd voort. Op enkele foto’s is de Sciadopitys verticillata, de parasolden, te zien, een bijzondere boom waarvan Philip verschillende exemplaren heeft opgekweekt. Ook Jochem (foto 6) en Wim (foto 7) maakten deel uit van het leven rond de tuinen: Jochem kwam dagelijks de boel inspecteren, altijd met een sigaar, zelfs op de brommer en Wim legde menig paadje aan en onderhield later het stuk naast de flat. Toen Philip zijn tuin uiteindelijk niet meer zelf kon onderhouden en naar Mercator verhuisde, verdween een goede tuinvriend uit ons midden. Op 21 oktober 2013 overleed Philip, na lange tijd te hebben gestreden om onder ons te blijven. Zijn liefde voor de tuin en voor bomen is nog altijd zichtbaar in het Pinetum. Philip, bedankt voor de vele jaren van prettig samenzijn op de tuinen en voor alles wat je hebt bijgedragen aan deze bijzondere plek.
Philip Rodenburg
21 september 1930 – 21 oktober 2013
Je tuinvriend Rieks
De Zeegster jeneverbes
De Zeegster jeneverbes (Juniperus communis) behoort tot de grootste jeneverbessen van West-Europa. Vrouger ging’n wie mit de klas noar tou. Ons jaarlijkse schoolreisje ging naar de Zeegser Duinen, een kleine twintig kilometer ten zuiden van Groningen. Nog steeds wandelen we regelmatig in dit, voor ons, mooiste stukje van Drenthe. Als je de Saksenroute LF14 volgt, ben je ook zo in Schipborg, waar de Drentsche Aa zich door het oeroude landschap kronkelt. De basis van dit landschap werd tijdens de ijstijden gevormd. In de voorlaatste ijstijd, het Saalien, liet het landijs een dikke laag keileem achter en ontstond het Drents Plateau, dat grotendeels zo’n 10 tot 20 meter boven NAP ligt. Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, bereikte het landijs Nederland niet, maar door de kou en harde wind werden grote hoeveelheden dekzand afgezet. Zo ontstonden hier zandige ruggen en later, mede door verstuiving, gebieden als de Gasterse en Zeegser Duinen. Over de hogere zandgronden en de Hondsrug liepen al vroeg belangrijke routes naar het noorden. Groningen ontstond op het noordelijke uiteinde van de Hondsrug uit twee vroegmiddeleeuwse esdorpen; het noordelijke dorp, Gruoninga, groeide uiteindelijk uit tot de stad Groningen. Het dialect, de oude esdorpen en de Saksische boerderijen herinneren nog altijd aan de lange bewoningsgeschiedenis van deze streek.
De jeneverbes is een echte pioniersplant die goed gedijt op voedselarme zandgronden en heidevelden. Zonder beheer kunnen jeneverbessen uiteindelijk worden verdrongen wanneer het terrein dichtgroeit met onder andere grove den, berk en eik. Tot 2017 was de jeneverbes in Nederland als soort wettelijk beschermd onder de Flora- en faunawet; tegenwoordig ligt de nadruk vooral op de bescherming van de gebieden en jeneverbesstruwelen waarin hij voorkomt. Op onder andere de Sallandse Heuvelrug, de Veluwe en verschillende plaatsen in Drenthe kun je nog prachtige jeneverbessen vinden. Het is bloedheet en al zeker acht weken vrijwel droog. De bomen hebben het moeilijk en laten al veel blad los – en dan hebben we het nog maar over half augustus. Deze jeneverbes was me al vaker opgevallen en ik verkeerde steeds in de veronderstelling dat het meerdere bomen waren. Bij nader onderzoek bleek dat niet het geval. Mijn kleinzoon Stein noemde hem de klimboom. Als je eronder staat, begrijp je waarom: het takkenstelsel binnenin lijkt wel een enorm spinnenweb.
Toch maar eens opmeten. Aan de oostzijde meten we maar liefst 30 meter en de hoogte schatten we op ongeveer vijf meter. Nog wat snuffelen en tot mijn verbazing blijkt dat deze jeneverbes (Juniperus communis) bekendstaat als een van de grootste, en mogelijk zelfs de grootste, van West-Europa. De leeftijd wordt geschat op minstens 80 jaar en waarschijnlijk aanzienlijk ouder. Mocht je deze kant een keer opgaan, bezoek dan zeker ook het Pinetum van Anloo, nog geen vijf kilometer hier vandaan. In Gasselte vind je het arboretum van Wiecher Huisman en in Borger de tuin van Wil Leber, met een enorme rododendroncollectie. Maar daar een andere keer meer over.
Rieks Leber
Bermeja-gebergte. Abies Pinsapo (Spaanse zilverspar)
In 2007 hebben we de Abies pinsapo (Spaanse zilverspar) opgezocht en er een verslag over geschreven, dat werd gepubliceerd in nummer 45 van de Nederlandse Coniferenvereniging. Vanuit het natuurgebied bij Genalguacil kijkt de A. pinsapo uit over het mondaine Marbella aan de Costa del Sol in Zuid-Spanje. Op een hoogte vanaf ongeveer 1.100 meter boven zeeniveau groeit hier, in de Sierra Bermeja, de Abeto de España, zoals de boom in Spanje wordt genoemd. De Zwitserse botanicus Edmond Boissier beschreef deze bijzondere zilverspar in 1838, nadat hij hem een jaar eerder op het Iberisch Schiereiland had ontdekt. Je bevindt je hier in een haast prehistorische omgeving, waar je je kunt voorstellen dat dinosaurussen elk moment tevoorschijn kunnen komen. Veel rotsen zijn bedekt met mos en daartussen groeien prachtige exemplaren van Abies pinsapo. Deze boom is een relict uit het Tertiair, toen zijn voorouders een veel groter verspreidingsgebied hadden. Door de klimaatveranderingen tijdens de ijstijden kromp dit gebied sterk. Tegenwoordig vormen onder andere droogte, bosbranden en schimmelaantastingen, waaronder wortelrot door Heterobasidion annosum, belangrijke bedreigingen. Door verschillende oorzaken nam het aantal bomen in de vorige eeuw sterk af. In 1964 was nog ongeveer 700 hectare met deze spar bedekt. Dankzij bescherming en zorgvuldig bosbeheer heeft het pinsapobos zich sindsdien op verschillende plaatsen hersteld en uitgebreid.
De boom komt ook voor in de Sierra de Grazalema in de provincie Cádiz en in de Sierra de las Nieves bij Ronda. In Marokko groeien nauw verwante zilversparren in het Rifgebergte, onder andere op de Jbel Tazaot. Deze werden vroeger aangeduid als Abies pinsapo var. marocana en var. tazaotana, maar worden tegenwoordig doorgaans tot Abies marocana gerekend. De Spaanse zilverspar kan 25 tot 30 meter hoog worden en heeft een karakteristieke kegelvormige kroon. De schors is donkergrijs en wordt met de jaren gegroefd en geschilferd. De blauwgroene, stijve en spitse naalden staan spiraalsgewijs rondom de twijgen, zijn ongeveer 1 tot 1,7 cm lang en hebben aan beide zijden lichte huidmondjesstrepen. De knoppen zijn eivormig, bruinrood en vertonen soms enkele harsplekjes. De boom groeit voornamelijk op kalkrijke, rotsachtige bodems, maar komt in de Sierra Bermeja ook voor op magnesiumrijke gesteenten. Hij kan ongeveer 300 jaar oud worden en begint doorgaans pas na enkele tientallen jaren zaad te produceren. In Nederland is de boom redelijk winterhard, al verdient een beschutte standplaats de voorkeur. Abies pinsapo behoort, samen met de Algerijnse zilverspar (Abies numidica), tot de sectie Piceaster.
De Sierra Bermeja is een bijzonder gebergte met toppen tot ongeveer 1.450 meter hoogte. Het gesteente is rijk aan magnesium en ijzer, waarvan de oxidatie de rotsen hun kenmerkende roodachtige kleur geeft. Hieraan dankt het gebergte zijn naam, want bermeja betekent roodachtig. Vanaf de hoger gelegen delen kun je bij helder weer in de verte het Rifgebergte in Marokko zien, waar de verwante Marokkaanse zilversparren groeien en plaatselijk samen voorkomen met de Atlasceder (Cedrus atlantica). Een bezoek aan Andalusië is zeker de moeite waard. Verken de prachtige steden Sevilla, Ronda met zijn historische stierenvechtersarena en Granada met het wereldberoemde Alhambra, de parel van Andalusië. En geniet vooral van de schilderachtige witte dorpjes die deze streek zo bijzonder maken.
Rex Leber