Cipressen & levensbomen
De cipressenfamilie (Cupressaceae) omvat wereldwijd een groot aantal geslachten en soorten. Tot deze familie behoren onder andere cipressen, levensbomen en schijncipressen. Het zijn overwegend groenblijvende bomen en struiken met schubvormige of naaldvormige bladeren. De kegels verschillen per geslacht sterk in vorm en grootte en zijn vaak klein en houtig. De volgende soorten van cipressen en levensbomen zijn te bewonderen in Pinetum Quatrebras.
Cupressus arizonica – Arizona-cipres
Cupressus arizonica - Arizona-cipres is een snelgroeiende, groenblijvende cipres met een dichte, kegelvormige kroon en opvallend blauwgroen tot zilvergrijs schubvormig loof. De twijgen zijn fijn bezet met schubben die bij kneuzing een sterke, harsachtige geur verspreiden. De roodbruine bast schilfert bij oudere bomen in smalle stroken af, waardoor een aantrekkelijk gevlekt patroon ontstaat. De ronde, houtige kegels zijn aanvankelijk blauwgroen en verkleuren later bruin; ze kunnen jarenlang aan de takken blijven zitten en openen zich onder invloed van droogte of sterke verhitting, waardoor de zaden vrijkomen. De soort is uitstekend aangepast aan warme, droge omstandigheden en kan ook op arme grond goed groeien. Het zilvergrijze loof geeft de Arizona-cipres vooral in zonnige omstandigheden een opvallende uitstraling, terwijl de bast en kegels voor extra structuur zorgen. Botanisch wordt de soort tegenwoordig vaak Hesperocyparis arizonica genoemd, maar de vertrouwde naam Cupressus arizonica is nog altijd veel in gebruik.
Cupressus bakeri - Siskiyou-cipres
Cupressus bakeri - Siskiyou-cipres is een zeldzame groenblijvende cipres uit de berggebieden van Oregon en Noord-Californië, waar hij vaak groeit op arme, rotsachtige bodems. De boom vormt een slanke, opgaande kroon met fijn geschubd blauwgroen loof en een roodbruine bast die bij oudere bomen in stroken kan loslaten. De ronde, houtige kegels blijven soms jarenlang aan de takken zitten en kunnen door de hitte van een bosbrand opengaan, waardoor de zaden vrijkomen. Vuur speelt daardoor een belangrijke rol bij de natuurlijke verjonging van deze bijzondere soort. Tegenwoordig wordt de boom botanisch meestal Hesperocyparis bakeri genoemd, hoewel Cupressus bakeri nog altijd veel wordt gebruikt. Ook in deze tuin heeft de Siskiyou-cipres een bijzondere geschiedenis: de boom stond jarenlang op de Wimpel, maar stierf in 2009. De overgebleven takken werden afgezaagd, zodat er toch nog een soort monumentje bleef staan — of, met enige humor, een flinke natuurlijke kapstok.
Cupressus cashmeriana - Kashmir-cipres
Cupressus cashmeriana - Kashmir-cipres is een opvallende groenblijvende cipres met een sierlijke, bijna treurvormige groeiwijze. De lange, slanke takken hangen ver naar beneden en dragen zachte, blauwgroene sprays van fijn schubvormig loof, waardoor de boom een luchtig en elegant silhouet krijgt. De jonge twijgen hangen soms zo sterk door dat ze bijna als gordijnen langs de stam naar beneden vallen. De ronde, houtige kegels zijn eerst groen en verkleuren bij rijping naar bruin, waarbij ze nog geruime tijd aan de takken kunnen blijven zitten. De soort komt van nature voor in het oostelijke Himalayagebied, vooral in de bergen van Arunachal Pradesh, en is ondanks zijn naam niet afkomstig uit Kashmir; de Nederlandse naam is het gevolg van een oude botanische naamsverwarring. Door zijn uitgesproken hangende groei en blauwgroene kleur is de Kashmir-cipres een bijzonder verschijnsel tussen de meer strak opgaande cipressen in een collectie.
Cupressus duclouxiana - Ducloux-cipres
Cupressus duclouxiana - Ducloux-cipres is een zeldzame groenblijvende cipres uit het bergachtige zuidwesten van China, met een slanke groeiwijze die bij jonge bomen duidelijk kegelvormig is en bij oudere exemplaren breder wordt. De fijn vertakte twijgen zijn dicht bezet met kleine, blauwgroene schubbladeren, terwijl de ronde kegels bij rijping donkerbruin tot paarsbruin kleuren. De soort kan in de natuur ongeveer 25 meter hoog worden en groeit daar op berghellingen en in bergbossen. De naam verwijst naar de Franse missionaris en plantenverzamelaar François Ducloux, die veel planten uit Yunnan naar de botanische wereld bracht. De Ducloux-cipres is in cultuur betrekkelijk zeldzaam en heeft buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied een reputatie als wat lastig te kweken soort, waardoor een goed ontwikkeld exemplaar in een collectie extra interessant is.
Cupressus glabra - Arizona-cipres
Cupressus glabra - Arizona-cipres is een groenblijvende cipres uit de droge berggebieden van Arizona, met een dichte, kegelvormige kroon en opvallend blauwgroen tot zilvergrijs schubvormig loof. De roodbruine bast is in tegenstelling tot die van veel andere cipressen relatief glad en vormt daardoor een mooi contrast met het koele groen van de kroon. De ronde, houtige kegels zijn klein en blijven vaak geruime tijd aan de boom hangen. De soort is goed aangepast aan warmte, droogte en arme, rotsachtige bodems en heeft daardoor een sterk en karakteristiek uiterlijk. Ook in de winter laat deze cipres zich van zijn mooiste kant zien: op 5 december 2016 zorgde een laag rijp voor een fraai contrast tussen het berijpte groen en de gele winterse bloei in de tuin. Botanisch wordt deze soort tegenwoordig meestal Hesperocyparis glabra genoemd, maar Cupressus glabra blijft een veelgebruikte naam.
Cupressus benthamii - Hidalgo-cipres
Cupressus benthamii - Hidalgo-cipres is een groenblijvende cipres uit de Mexicaanse bergbossen, waar hij vooral op grotere hoogte voorkomt. De boom vormt een slanke, piramidale kroon met fijn vertakte twijgen die vrijwel in platte waaiers zijn gerangschikt en dicht bezet zijn met kleine, frisgroene schubbladeren. De ronde, houtige kegels zijn relatief klein en bevatten talrijke gevleugelde zaden, waarmee de soort zich verspreidt. De naam verwijst naar de Engelse botanicus George Bentham en werd gekozen nadat de soort in de 19e eeuw uit Mexico was beschreven. De Hidalgo-cipres is binnen een verzameling interessant vanwege zijn beperkte verspreidingsgebied en zijn duidelijke verwantschap met andere Mexicaanse cipressen. Botanisch wordt de soort tegenwoordig vaak Hesperocyparis benthamii genoemd, hoewel Cupressus benthamii nog steeds veel wordt gebruikt.
Cupressus macnabiana - smalle serpentinecipres
Cupressus macnabiana - smalle serpentinecipres is een bijzondere groenblijvende cipres uit Noord-Californië, waar hij vaak groeit op droge, voedselarme serpentinebodems waarop veel andere bomen nauwelijks kunnen overleven. Hij blijft meestal kleiner en struikachtiger dan veel andere cipressen en vormt een dichte, brede kroon met korte, vlak uitgespreide twijgen. Het grijsgroene tot blauwgroene loof geeft de boom een wat ruig uiterlijk en verspreidt bij kneuzing een aangename harsachtige geur. De ronde kegels zijn opvallend door de kleine, hoornachtige uitsteeksels op de schubben en kunnen lange tijd gesloten blijven. Pas onder invloed van sterke hitte openen ze zich, waardoor ook bij deze soort bosbranden een belangrijke rol spelen bij de natuurlijke verspreiding en verjonging. Botanisch wordt de soort tegenwoordig vaak Hesperocyparis macnabiana genoemd, maar Cupressus macnabiana is nog steeds een gangbare naam.
Cupressus macrocarpa 'Gold Crest' – Montereycipres
Cupressus macrocarpa 'Goldcrest' - Montereycipres is een opvallende cultivar van de Montereycipres met een slanke, opgaande groei en helder geelgroen tot goudgeel loof dat vooral op donkere winterdagen sterk opvalt. De fijne schubben vormen dichte, zachte sprays en verspreiden bij aanraking of kneuzing een duidelijke citroenachtige geur, waaraan deze cultivar zijn bijnaam citroencipres dankt. De jonge twijgen zijn vaak opvallend goudkleurig, terwijl de bast van oudere bomen grijsbruin en vezelig wordt. ‘Goldcrest’ werd in Engeland geselecteerd en groeide uit tot een populaire tuinplant, zowel als solitair als in pot of haag. In het pinetum vormt vooral de heldere kleur een mooi contrast met de vele donkergroene coniferen. Hoewel de Montereycipres van nature aan de winderige Californische kust groeit, heeft deze cultivar in ons klimaat bij voorkeur een beschutte standplaats; langdurige strenge vorst en koude oostenwind kunnen schade veroorzaken.
Cupressus torulosa – Himalayacipres
Cupressus torulosa - Himalayacipres is een groenblijvende cipres met een slanke, kegelvormige kroon en fijn vertakte twijgen die aan de uiteinden soms sierlijk overhangen. Het donkergroene, schubvormige loof ligt dicht tegen de takken aan en vormt een dichte, fijne structuur, terwijl de ronde houtige kegels bij rijping donkergrijsbruin kleuren. In zijn natuurlijke omgeving groeit deze cipres op zonnige berghellingen van de westelijke Himalaya en kan hij uitgroeien tot een indrukwekkende boom van meer dan 30 meter hoog. Het duurzame en aromatische hout wordt daar al lange tijd gewaardeerd. Dit exemplaar heeft een bijzonder begin: het werd in 2016 uit zaad opgekweekt en groeide zo van een klein zaailingetje uit tot een boom met een oorsprong duizenden kilometers verderop. Juist dat maakt deze Himalayacipres een mooi voorbeeld van hoe een bijzondere soort uiteindelijk een plaats in het Nederlandse landschap en in het pinetum kan krijgen.
Cupressus sempervirens – Italiaanse cipres
Cupressus sempervirens - Italiaanse cipres is de slanke, zuilvormige cipres die zo kenmerkend is voor het mediterrane landschap. De donkergroene schubbladeren vormen een dichte, smalle kroon en geven de boom zijn herkenbare, bijna architectonische silhouet. Hij is uitstekend bestand tegen hitte en droogte, maar juist strenge vorst maakt de soort in Nederland lastig. In de tuin zijn meerdere exemplaren aangeplant en ook door Philip zijn er verschillende uit zaad opgekweekt, maar na een strenge winter verdwenen ze uiteindelijk weer. Bij het opruimen van een exemplaar viel bovendien op dat het wortelstelsel opvallend weinig ontwikkeld was, alsof de boom zich hier nooit echt thuis had gevoeld. In het Middellandse Zeegebied kan de cipres daarentegen flink doorgroeien en is hij zo sterk verbonden met het landschap dat een mediterraan huis zonder cipres bijna ondenkbaar lijkt. De foto is genomen in de Sierra Ronda, waar deze karakteristieke boom volledig tot zijn recht komt.
Chamaecyparis formosensis – Formosa-cipres
Chamaecyparis formosensis - Formosa-cipres is een indrukwekkende groenblijvende boom uit de vochtige berggebieden van Taiwan en kan daar uitgroeien tot een reus van meer dan 50 meter hoog. De boom heeft een rechte stam met een vezelige, roodbruine bast en een smalle kroon met horizontaal afstaande takken, waarop het fijne, schubvormige loof in platte sprays is gerangschikt. Bij kneuzing verspreidt het loof een aangename, aromatische geur. Sommige oude exemplaren behoren tot de oudste levende bomen van Taiwan en kunnen naar schatting meer dan duizend jaar oud zijn. Het duurzame, geurige hout maakte de soort vroeger zeer gewild voor onder meer tempels en bouwwerken, maar juist die houtkap heeft de natuurlijke bestanden sterk teruggedrongen. Tegenwoordig is de Formosa-cipres dan ook een bedreigde soort. Bijzonder is dat de enorme bomen groeien in koele, vrijwel voortdurend vochtige nevelbossen, waar regen en mist voor een heel andere leefomgeving zorgen dan je bij een cipres zou verwachten.
Chamaecyparis lawsoniana 'Imbricata Pendula' – Californische cipres
Chamaecyparis lawsoniana 'Imbricata Pendula' - Californische cipres is een opvallende treurvorm met een losse, breed uitgroeiende kroon en lange, sierlijk afhangende takken die de boom een bijna watervalachtige vorm geven. Het fijne, groenblijvende loof is donkergroen tot grijsgroen en ligt in zachte, dicht opeenstaande sprays over de twijgen. Bij oudere bomen krijgt de stam een roodbruine, vezelige bast die in smalle stroken loslaat. De cultivar werd al in de jaren dertig uit zaailingen geselecteerd, maar kwam pas later officieel in cultuur en raakte daarna enige tijd op de achtergrond. Juist de grillige, sterk overhangende groei maakt deze vorm bijzonder tussen de meer strak gevormde Californische cipressen en geeft hem in het pinetum een geheel eigen karakter. De soort is goed winterhard en kan bij voldoende ruimte uiteindelijk een flinke, brede boom worden.
Chamaecyparis nootkatensis – Nootka-cipres
Chamaecyparis nootkatensis - Nootka-cipres is een karakteristieke groenblijvende conifeer met een smalle, kegelvormige kroon en sierlijk overhangende uiteinden van de takken. Het blauwgroene, schubvormige loof vormt platte, dicht opeenstaande sprays en geeft de boom een wat zachte, bijna hangende uitstraling. Bij oudere bomen ontwikkelt de stam een grijsbruine, vezelige bast, terwijl de kleine, ronde kegels aanvankelijk groen zijn en later bruin verkleuren. De soort komt van nature voor in het noordwesten van Noord-Amerika, vooral in koele, vochtige berggebieden en langs de Pacifische kust. Opvallend is zijn grote aanpassingsvermogen aan koude en natte omstandigheden; daardoor is het een betrouwbare cipres voor ons klimaat. De Nootka-cipres werd vroeger ondergebracht bij Cupressus, maar wordt tegenwoordig meestal als Callitropsis nootkatensis beschouwd. In de tuin valt vooral de combinatie van het blauwgroene loof en de licht afhangende takken op, waardoor hij ook tussen andere coniferen een heel eigen silhouet heeft.
Chamaecyparis obtusa 'Nana Gracilis' – Hinoki-cipres
Chamaecyparis obtusa 'Nana Gracilis' - Hinoki-cipres is een compacte, langzaam groeiende cultivar van de Hinoki-cipres, die opvalt door zijn sierlijke, onregelmatige vorm en dichte, donkergroene loof. De platte, waaiervormige takjes liggen als kleine schubben over elkaar en geven de dwergconifeer een bijzonder verfijnde structuur. Deze cultivar blijft veel kleiner dan de soort en groeit uiteindelijk uit tot een brede, compacte struik, waardoor hij al jaren een mooie dwergconifeer in de tuin is. De soort komt van nature uit de berggebieden van Japan, waar de Hinoki-cipres vooral op Honshu, Shikoku en Kyushu voorkomt. In de beroemde Kiso-vallei behoort de Hinoki tot de bomen die van oudsher een belangrijke culturele en religieuze betekenis hebben; het duurzame, aromatische hout wordt er onder meer gebruikt voor tempels en heiligdommen. De naam Hinoki betekent letterlijk ‘vuurboom’, een verwijzing naar het traditionele gebruik van het hout.
Chamaecyparis pisifera 'Filifera Aereovariegata' – Japanse cipres
Chamaecyparis pisifera 'Filifera Aureovariegata' - Japanse cipres is een opvallende cultivar met een losse, enigszins treurende groeiwijze en lange, draadvormig afhangende twijgen. Het fijne loof is geelgroen tot goudgeel bont gekleurd, waardoor de boom vooral in het voorjaar en de zomer sterk opvalt tussen het gewone groene groen. De uiteinden van de dunne twijgen hangen sierlijk naar beneden en geven de plant een bijna sierlijke, fonteinachtige vorm. De soort Chamaecyparis pisifera komt uit Japan en groeit daar van nature vooral in bergachtige gebieden. Deze cultivar is al lange tijd in cultuur en behoort tot de opvallende bontbladige vormen van de Japanse cipres. Bijzonder is dat de goudgele kleur niet alleen in het blad zit, maar door het contrast met het diepgroene loof als kleine lichtvlekken over de hele kroon lijkt verspreid. Daardoor is deze vorm ook in een verzameling coniferen gemakkelijk te herkennen.
Chamaecyparis pisifera - Japanse cipres
Chamaecyparis pisifera - Japanse cipres is een sierlijke groenblijvende conifeer uit Japan, met een dichte, kegelvormige kroon en fijn vertakte twijgen die een zachte, bijna veerachtige structuur geven. Het loof bestaat uit kleine schubben en kan, afhankelijk van de groeivorm, variëren van fris- tot donkergroen; bij kneuzing komt een lichte harsachtige geur vrij. De ronde kegels zijn klein en vormen een opvallend detail tussen het fijne loof. In Japan groeit de soort van nature vooral op Honshu en in delen van Kyushu en komt hij voor in gematigde bergbossen. Chamaecyparis pisifera is bovendien een belangrijke bron geweest voor talloze tuinbouwvormen, waaronder dwergvormen, treurvormen en cultivars met geel of draadvormig loof. Daardoor kom je deze soort in een pinetum in veel verschillende gedaanten tegen, soms zo afwijkend dat je nauwelijks zou vermoeden dat ze tot dezelfde soort behoren.
Thuja koraiensis – Koreaanse levensboom
Thuja koraiensis - Koreaanse levensboom is een vrij kleine, groenblijvende levensboom die meestal als struik of kleine boom groeit en een compacte, opgaande vorm heeft. De takken staan spreidend tot licht opgaand en dragen fijne, afgeplatte twijgen met kleine schubvormige bladeren, die aan de onderzijde vaak lichter en enigszins blauwgroen zijn. De jonge twijgen kunnen daardoor een opvallende zilverachtige glans hebben. De roodbruine bast is bij jonge bomen glad, maar wordt met de leeftijd grijsbruin, gegroefd en schilferig. De kleine, ovale kegels kleuren bij rijping donkerbruin. De soort komt van nature voor in Korea en het aangrenzende noordoosten van China, waar hij vooral in berggebieden groeit. Met zijn goede winterhardheid en bescheiden afmetingen is de Koreaanse levensboom een interessante, maar in cultuur nog altijd vrij zeldzame soort binnen een verzameling coniferen.
Thuja plicata – reuzenlevensboom
Thuja plicata - reuzenlevensboom is een imposante groenblijvende conifeer die in zijn natuurlijke verspreidingsgebied kan uitgroeien tot een zeer grote boom, met een rechte stam en een brede, hoog aangezette kroon. Het donkergroene loof bestaat uit platte, over elkaar liggende schubben en verspreidt bij kneuzing een karakteristieke aromatische geur. De bast is roodbruin tot grijsbruin, diep gegroefd en vezelig, en kan bij oude bomen opvallend dik worden. De kleine, eivormige kegels staan rechtop aan de twijgen en verkleuren van groen naar bruin. De reuzenlevensboom komt voor van zuidoostelijk Alaska tot Noord-Californië en groeit daar vooral in koele, vochtige bossen. Het duurzame, licht geurende hout werd door inheemse volken van de westkust van Noord-Amerika voor allerlei doeleinden gebruikt, waaronder kano's en huizen. De soort is bovendien opmerkelijk langlevend en kan eeuwen oud worden; daarmee doet de Nederlandse naam reuzenlevensboom zijn naam zeker eer aan.
Thuja occidentalis – westerse levensboom
Thuja occidentalis - westerse levensboom is een winterharde, groenblijvende conifeer met een dichte, kegelvormige tot zuilvormige kroon en fijn afgeplatte waaiers van schubvormig loof. De bladeren zijn aan de bovenzijde fris- tot donkergroen en aan de onderzijde vaak wat lichter, terwijl de aromatische geur bij kneuzing direct herkenbaar is. De roodbruine bast wordt met de jaren vezelig en rafelt in lange stroken af. De kleine, ovale kegels staan rechtop op de twijgen en openen zich wanneer de zaden rijp zijn. Van nature komt de soort voor in grote delen van Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten, waar hij onder meer groeit in vochtige bossen en op kalkrijke rotsgronden. De naam levensboom kreeg hij mede door een bijzonder historisch verhaal: tijdens de winter van 1535-1536 zouden inheemse bewoners van het huidige Canada de bemanning van Jacques Cartier hebben geholpen met een aftreksel van een lokale conifeer om scheurbuik te bestrijden; de precieze botanische identiteit van die boom is echter niet met volledige zekerheid vastgesteld.
Thuja standishii 'Aurea' – gouden Japanse levensboom
Thuja standishii 'Aurea' - gouden Japanse levensboom is een opvallende groenblijvende cultivar van de Japanse levensboom, met een dichte, kegelvormige groei en fris goudgeel tot geelgroen loof. Vooral de jonge twijgen zijn helder van kleur en vormen een mooi contrast met het oudere, wat groener wordende loof. De platte sprays van schubvormige bladeren liggen dicht tegen de takken aan en geven de boom een fijne, regelmatige structuur. De soort Thuja standishii komt van nature uit de berggebieden van Japan, waar hij een middelgrote tot grote boom kan worden en gewaardeerd wordt om zijn duurzame, aromatische hout. De cultivar 'Aurea' brengt daar een heel ander accent aan toe: het goudgele loof maakt hem vooral op zonnige plaatsen direct herkenbaar. De kleine ovale kegels zijn aanvankelijk groenachtig en kleuren later bruin.
Thuja sutchuenensis – Yabai-levensboom
Thuja sutchuenensis - Yabai-levensboom is een uiterst zeldzame groenblijvende levensboom uit de bergen van zuidwestelijk China. Hij vormt meestal een kleine tot middelgrote boom met dicht vertakte, opgaande takken en platte sprays van kleine, dofgroene schubbladeren, waarvan de onderzijde lichter is. De jonge bast is oranjeroodbruin en wordt later grijsbruin en schilferig; de kleine, ovale kegels verkleuren van groen naar bruin. Het meest bijzondere verhaal zit echter in zijn geschiedenis: de soort werd aan het einde van de 19e eeuw verzameld, maar daarna bijna een eeuw lang niet meer in het wild teruggevonden en zelfs als uitgestorven beschouwd. In 1999 werd hij opnieuw ontdekt op moeilijk toegankelijke berghellingen in het Daba-gebergte, niet ver van de oorspronkelijke vindplaats. De Yabai-levensboom is daarmee een van de spectaculairste voorbeelden van een botanische ‘herontdekking’ en geldt nog altijd als een zeer bedreigde soort.
Platycladus orientalis – oosterse levensboom
Platycladus orientalis - oosterse levensboom is een groenblijvende conifeer met een compacte, aanvankelijk piramidale groeiwijze die bij oudere bomen wat breder en losser wordt. De kleine schubbladeren staan opvallend dicht opeen in vrijwel verticale, afgeplatte sprays en kunnen in de winter een bronsachtige tint aannemen. De roodbruine bast wordt met de jaren vezelig en schilferig, terwijl de kleine, blauwgroene kegels later bruin kleuren en aan de schubben karakteristieke haakvormige uitsteeksels dragen. De soort komt van nature voor in delen van China, Korea en het Russische Verre Oosten en is al eeuwenlang sterk verbonden met Chinese tempels en begraafplaatsen. Hij verdraagt droogte en arme, goed doorlatende grond opvallend goed en is daardoor veel minder veeleisend dan zijn tere uiterlijk misschien doet vermoeden. Een botanische bijzonderheid is dat Platycladus een geslacht op zichzelf vormt: de oosterse levensboom is de enige soort binnen dit geslacht en werd vroeger onder andere als Thuja orientalis ingedeeld.
Pilgerodendron uviferum – Patagonische cipres
Pilgerodendron uviferum - Patagonische cipres is een bijzondere groenblijvende conifeer uit het vochtige zuiden van Chili en aangrenzende delen van Argentinië, waar hij vooral groeit op natte, vaak veenachtige bodems. De boom vormt een smalle, opgaande kroon met dicht opeenstaande, donkergroene schubbladeren die de jonge twijgen een bijna vierkante doorsnede geven. De roodbruine bast wordt met het ouder worden ruwer en laat in smalle stroken los, terwijl de kleine ovale kegels aan de uiteinden van de twijgen verschijnen. Hij groeit opvallend langzaam, maar kan daardoor zeer oud worden; leeftijden van enkele honderden jaren zijn bekend. Een bijzonder feit is dat dit de zuidelijkst voorkomende conifeer ter wereld is, met een verspreidingsgebied dat tot ver in Vuurland reikt. Het hout is sterk, aromatisch en zeer duurzaam, maar juist die eigenschappen hebben in het verleden tot intensieve houtkap geleid. Tegenwoordig geldt de Patagonische cipres als kwetsbaar en is de soort in haar natuurlijke omgeving sterk beschermd.
Cupressus arizonica – Arizona-cipres · Cupressus bakeri – Siskiyou-cipres · Cupressus cashmeriana – Kashmir-cipres · Cupressus duclouxiana – Ducloux-cipres · Cupressus glabra – Arizona-cipres · Cupressus benthamii – Hidalgo-cipres · Cupressus macnabiana – smalle serpentinecipres · Cupressus macrocarpa 'Gold Crest' – Montereycipres · Cupressus torulosa – Himalayacipres · Cupressus sempervirens – Italiaanse cipres · Chamaecyparis formosensis – Formosa-cipres · Chamaecyparis lawsoniana 'Imbricata Pendula' – Californische cipres · Chamaecyparis nootkatensis – Nootka-cipres · Chamaecyparis obtusa 'Nana Gracilis' – Hinoki-cipres · Chamaecyparis pisifera 'Filifera Aereovariegata' – Japanse cipres · Chamaecyparis pisifera – Japanse cipres · Thuja koraiensis – Koreaanse levensboom · Thuja plicata – reuzenlevensboom · Thuja occidentalis – westerse levensboom · Thuja standishii 'Aurea' – gouden Japanse levensboom · Thuja sutchuenensis – Yabai-levensboom · Platycladus orientalis – oosterse levensboom · Pilgerodendron uviferum – Patagonische cipres