Overige coniferen


Naast de bekende geslachten zoals Abies, Picea, Pinus en Juniperus omvat de collectie van Pinetum Quatrebras nog een groot aantal andere bijzondere coniferen. Deze soorten verschillen sterk in uiterlijk, herkomst en groeiwijze en vertegenwoordigen verschillende geslachten en families. Samen vormen ze een gevarieerde verzameling van minder bekende, maar bijzondere coniferen. De volgende soorten overige coniferen zijn te bewonderen in Pinetum Quatrebras.


Cephalotaxus harringtonia – Japanse staartjesboom

Cephalotaxus harringtonia – Japanse staartjesboom is een groenblijvende conifeer uit de familie Cephalotaxaceae, van nature afkomstig uit China, Korea, Japan en Taiwan. De soort groeit als struik of kleine boom en heeft lange, leerachtige, donkergroene naalden die in twee rijen langs de twijgen staan. Opvallend zijn de twijgen met vierkante plaatjes in de schors en bij oudere stammen de bijna gladgeschaafde, schilferende bast. De soort is tweehuizig, waarbij mannelijke en vrouwelijke bloemen op verschillende planten voorkomen; aan vrouwelijke planten ontstaan opvallende zaden met een vlezige zaadmantel. Het exemplaar in Pinetum Quatrebras is bijzonder omdat het als zaailing werd gevonden in een arboretum bij Parijs, in Noyent. Daarmee heeft deze boom niet alleen een bijzondere botanische achtergrond, maar ook een eigen geschiedenis die hem met Europese botanische tuinen verbindt.


Cryptomeria japonica 'Cristata' – Japanse cipres

Cryptomeria japonica 'Cristata' – Japanse cipres is een groenblijvende conifeer uit Japan, waar deze bijzondere vorm al vóór 1900 als sierplant werd gekweekt. De boom groeit aanvankelijk smal en opgaand, maar wordt later breder en onregelmatiger. Het meest opvallende kenmerk zijn de afgeplatte, hanenkamachtige vergroeiingen aan de toppen van sommige twijgen. Deze ontstaan doordat jonge scheuten plaatselijk met elkaar vergroeien, een verschijnsel dat bekendstaat als fasciatie. Tussen de opvallende kammen bevinden zich de zachte, sikkelvormige naalden, die spiraalsgewijs rond de twijgen staan. De roodbruine bast laat in dunne repen los en vormt daarmee een tweede herkenbaar kenmerk. In de winter kunnen de naalden een blauwgroene tint aannemen. De merkwaardige kamvormen geven deze Japanse cipres een grillig uiterlijk dat vooral van dichtbij goed tot zijn recht komt.


Cryptomeria japonicaJapanse cipres

Cryptomeria japonica – Japanse cipres is een groenblijvende conifeer die van nature voorkomt in Japan en delen van China. In Japan, waar de soort bekendstaat als sugi, is het een belangrijke bosboom die zeer groot en oud kan worden. De boom vormt een rechte stam met een kegelvormige kroon en heeft korte, priemvormige naalden die dicht rond de twijgen staan. De roodbruine bast schilfert in lange, smalle stroken af en geeft oudere bomen een karakteristiek uiterlijk. De kleine ronde kegels blijven na rijping aan de takken zitten. In het land van oorsprong wordt de Japanse cipres al eeuwen aangeplant vanwege het duurzame, aromatische hout en zijn waarde als bos- en tempelboom. In Europa werd de soort vanaf de negentiende eeuw steeds meer aangeplant. Bijzonder is dat jonge bomen een vrij zachte, frisse uitstraling hebben, terwijl oudere exemplaren door hun dikke stam, schilferende bast en brede kroon een heel ander karakter krijgen.


Sciadopitys verticillata – parasolden

Philip Rodenburg bij de Sciadopitys verticillata.

Zie ook pagina 'Verhalen'.

Sciadopitys verticillata – parasolden is een groenblijvende conifeer die van nature uitsluitend in Japan voorkomt. De soort groeit langzaam en vormt uiteindelijk een rechte boom met een smalle, kegelvormige kroon. De Nederlandse naam verwijst naar de opvallende naalden, die in dichte kransen aan het uiteinde van de twijgen staan en daardoor doen denken aan de spaken van een parasol. Botanisch zijn deze bijzondere ‘naalden’ eigenlijk een vergroeiing van twee tegenover elkaar staande bladeren. De jonge bast is roodbruin en vezelig en krijgt bij oudere bomen een ruwer uiterlijk. De parasolden groeit van nature vooral op vochtige, beschutte plaatsen in bergachtige gebieden en kan daar een flinke hoogte bereiken. De soort werd in de negentiende eeuw naar Europa gebracht en wordt hier vooral gewaardeerd om zijn zeer herkenbare naaldkransen. In het Japans staat de boom bekend als kōyamaki en heeft hij van oudsher een bijzondere plaats in de Japanse cultuur.


Sequoiadendron giganteum – mammoetboom

Sequoiadendron giganteum – mammoetboom is een indrukwekkende groenblijvende conifeer die van nature alleen voorkomt op de westelijke hellingen van de Sierra Nevada in Californië. Daar groeit hij in verspreid liggende bergbossen en kan hij uitgroeien tot een enorme boom, waarbij vooral de omvang van de stam uitzonderlijk is. De roodbruine bast is dik, zacht en vezelig en kan bij oude bomen tientallen centimeters dik worden; deze beschermt de boom goed tegen bosbranden. De kleine, blauwgroene schubachtige naalden staan dicht tegen de twijgen en de eivormige kegels kunnen jarenlang aan de boom blijven zitten. Vuur speelt in het natuurlijke leefgebied zelfs een belangrijke rol bij de verjonging: door brand openen kegels en komen zaden vrij op plekken waar nieuwe zaailingen voldoende ruimte krijgen. De mammoetboom werd vanaf het midden van de negentiende eeuw in Europa aangeplant en is inmiddels op veel plaatsen uitgegroeid tot een markante verschijning. Zijn enorme afmetingen zijn indrukwekkend, maar juist de combinatie van een reusachtige stam, zachte vezelige bast en betrekkelijk kleine kegels maakt deze boom zo bijzonder.


Sequoia sempervirens – kustmammoetboom

Sequoia sempervirens – kustmammoetboom is een groenblijvende conifeer uit de kustgebieden van Californië en het zuidwesten van Oregon, waar hij groeit in een mild klimaat met veel zomermist. Het is de hoogste levende boomsoort ter wereld; uitzonderlijke exemplaren kunnen ruim 100 meter hoog worden. De boom vormt een rechte, massieve stam met een roodbruine, vezelige bast die bij oude bomen zeer dik kan worden en bescherming biedt tegen bosbranden. De kleine, donkergroene naalden staan in twee rijen aan de twijgen. Opvallend is het vermogen om na beschadiging nieuwe scheuten te vormen vanuit de stamvoet of onder de bast. In het natuurlijke leefgebied levert de zomermist bovendien belangrijk vocht, doordat zij verdamping beperkt en extra water aan de bodem kan toevoegen. De combinatie van enorme hoogte, een imposante stam en een verfijnde kroon maakt de kustmammoetboom tot een karakteristieke verschijning van de Amerikaanse westkust.


Torreya nucifera – Japanse torreya

Torreya nucifera – Japanse torreya is een groenblijvende conifeer uit de familie van de Taxaceae, die van nature voorkomt in Japan en Korea. De boom groeit langzaam en vormt uiteindelijk een brede, vaak dicht vertakte kroon. De lange, stevige naalden zijn donkergroen en staan opvallend gerangschikt aan weerszijden van de twijgen, waardoor de boom enigszins aan een taxus doet denken. De vrouwelijke bomen dragen na bestuiving grote zaden die omgeven zijn door een vlezige zaadmantel; juist deze opvallende zaden verklaren de soortnaam nucifera, die verwijst naar het dragen van noten. De zaden zijn in Japan van oudsher van betekenis en het hout staat bekend om zijn fijne structuur en duurzaamheid. De Japanse torreya kan zeer oud worden en ontwikkelt bij hogere leeftijd een karakteristieke, robuuste stam.


Torreya californica – Californische torreya

Torreya californica – Californische torreya is een langzaam groeiende, groenblijvende conifeer die van nature uitsluitend in Californië voorkomt, waar hij groeit in vochtige dalen, langs bergbeken en op beschutte hellingen. De boom kan uitgroeien tot ongeveer 20 meter hoog en vormt een kegelvormige kroon die bij oudere exemplaren ronder wordt. De stevige, donkergroene naalden staan vrijwel in twee rijen en eindigen in een scherpe punt; aan de onderzijde zijn twee lichte banen zichtbaar. Bij aanraking kunnen de naalden behoorlijk prikken en wanneer het loof wordt gekneusd komt een sterke, aromatische geur vrij. De soort is tweehuizig en vrouwelijke bomen dragen opvallende, olijfachtige zaden met een vlezige groene tot paarsachtige omhulling. De Californische torreya groeit van nature vaak in de schaduw van grotere bomen en kan daar een slanke, soms wat scheef groeiende vorm aannemen. Vooral de combinatie van de stekelige naalden, bijzondere zaden en sterke geur maakt deze torreya gemakkelijk herkenbaar.


Taiwania cryptostroboides – Taiwanese cipres

Taiwania cryptostroboides – Taiwanese cipres is een indrukwekkende groenblijvende conifeer uit de cipresfamilie, die van nature voorkomt in de berggebieden van Taiwan en delen van Zuidwest-China en aangrenzende gebieden. In zijn natuurlijke omgeving kan de boom uitzonderlijk groot worden, met een rechte stam en een brede kroon. Jonge bomen hebben opvallend lange, smalle, blauwgroene naalden, terwijl oudere bomen kleinere, schubachtige bladeren ontwikkelen. Ook de vorm verandert daarmee duidelijk tijdens het ouder worden. De roodbruine bast schilfert in smalle stroken af en de kleine kegels verschijnen aan het uiteinde van de twijgen. Het hout is licht, fijn van structuur en duurzaam en werd daarom veel gebruikt voor onder meer gebouwen en meubels. Door houtkap zijn natuurlijke populaties sterk achteruitgegaan. De overgang van lange naalden bij jonge bomen naar kleine schubben bij oudere bomen maakt deze soort bovendien bijzonder om tijdens verschillende levensfasen te bekijken.


Taxodium distichum – moerascipres

Taxodium distichum – moerascipres is een bladverliezende conifeer uit het oosten en zuidoosten van de Verenigde Staten, waar hij van nature groeit in moerassen, riviergebieden en andere natte gronden. De boom kan zeer groot worden en vormt een rechte stam met een brede, vaak sterk verbrede stamvoet. De zachte, lichtgroene naalden staan in twee rijen langs de twijgen en kleuren in de herfst prachtig geelbruin tot roodbruin voordat ze afvallen. Daarmee behoort de moerascipres tot de bijzondere groep coniferen die hun naalden jaarlijks verliezen. Vooral de zogenaamde ‘knieën’ vallen op: kegelvormige uitgroeisels van de wortels die vooral bij bomen in of nabij permanent natte grond ontstaan. De vezelige, roodbruine bast vormt samen met de luchtige kroon en het fijne loof een karakteristiek silhouet. In het natuurlijke leefgebied kunnen oude bomen eeuwen oud worden en vormen ze een belangrijk onderdeel van moerasbossen.


Taxodium mucronatum – Mexicaanse moerascipres

Taxodium mucronatum – Mexicaanse moerascipres is een grote, groenblijvende tot halfwintergroene conifeer die van nature voorkomt in Mexico, Guatemala en een klein deel van Texas. De boom groeit vooral langs rivieren, bronnen en andere plaatsen waar de bodem langdurig vochtig blijft en kan uitgroeien tot ongeveer 40 meter hoog. De stam wordt vaak opvallend dik en krijgt bij oudere bomen diepe groeven en een sterk verbrede voet. De zachte, lichtgroene naalden staan in twee rijen langs de twijgen en vallen niet altijd tegelijk af, maar vooral tijdens de droge periode. In tegenstelling tot de gewone moerascipres vormt deze soort maar zelden de bekende wortelknieën. In Mexico staat de boom bekend als ahuehuete, een naam uit het Nahuatl die wordt verbonden met ‘oude man van het water’. De soort heeft daar een bijzondere culturele betekenis en is sinds 1921 de nationale boom van Mexico. De beroemde Árbol del Tule in Oaxaca behoort tot deze soort en valt vooral op door zijn uitzonderlijk dikke stam.


Taxus baccata 'Standishii' – goudgele taxus

Taxus baccata 'Standishii' – goudgele taxus is een groenblijvende cultivar van de gewone taxus, met een smalle, zuilvormige groei en dicht op elkaar staande, opgaande takken. De naalden zijn opvallend goudgeel aan de bovenzijde en behouden hun kleur grotendeels gedurende het jaar, waardoor de plant ook in de winter direct herkenbaar blijft. 'Standishii' groeit langzaam en blijft kleiner dan de soort, waardoor hij een slanke verschijning vormt. Het is een vrouwelijke cultivar, die bij bestuiving rode zaadmantels kan ontwikkelen, zoals kenmerkend is voor taxussen. De cultivar werd in 1908 beschreven, maar was al eerder verspreid door de kwekerij Standish & Co. uit Ascot in Engeland. Bij zonnige standplaatsen komt de goudgele kleur het sterkst naar voren, al kan het loof daar ook gevoeliger zijn voor verbranding. De combinatie van de smalle groei en het opvallend gele loof geeft deze taxus een heel ander karakter dan de gewone, donkergroene taxus.


Taxus chinensis – Chinese taxus

Taxus chinensis – Chinese taxus is een groenblijvende conifeer die van nature voorkomt in Midden- en Zuid-China, waar hij vooral groeit in gematigde bergbossen. De soort vormt een kleine tot middelgrote boom met een dichte kroon en heeft platte, donkergroene naalden die in twee rijen langs de twijgen staan. Zoals bij andere taxussen is de soort tweehuizig: mannelijke en vrouwelijke bloemen groeien aan verschillende bomen. Aan vrouwelijke exemplaren verschijnen na bestuiving de karakteristieke rode, vlezige zaadmantels rond het zaad. De Chinese taxus groeit langzaam en kan een aanzienlijke leeftijd bereiken. Het hout is fijn van structuur en wordt al lange tijd gewaardeerd. In het wild is de soort sterk achteruitgegaan en staat zij tegenwoordig als bedreigd te boek. De combinatie van het dichte loof en de opvallende rode zaadmantels geeft deze taxus vooral in het najaar een herkenbaar uiterlijk.


Taxus cuspidata – Japanse taxus

Taxus cuspidata – Japanse taxus is een groenblijvende conifeer die van nature voorkomt in Japan, Korea, Noord-China en het Russische Verre Oosten. De soort groeit als struik of kleine tot middelgrote boom en vormt een dichte, breed uitgroeiende kroon. De donkergroene naalden zijn relatief lang en staan vrijwel in twee rijen aan weerszijden van de twijgen, waarbij de scherpe punt de soort zijn naam cuspidata heeft gegeven. De roodbruine bast wordt naarmate de boom ouder wordt grover en schilferiger. Zoals bij andere taxussen groeien mannelijke en vrouwelijke bloemen aan afzonderlijke planten; vrouwelijke exemplaren vormen na bestuiving de karakteristieke rode zaadmantels rond het giftige zaad. De Japanse taxus verdraagt schaduw goed en kan onder gunstige omstandigheden zeer oud worden. De dichte groei en het donkere loof geven de boom een rustig en robuust uiterlijk dat kenmerkend is voor veel taxussen.


Prumnopitys andina – lleuque

Prumnopitys andina – lleuque is een groenblijvende conifeer uit het zuiden van Chili en een klein deel van Argentinië, waar hij groeit in vochtige bergbossen. De boom kan ongeveer 20 meter hoog worden en vormt een dichte, afgeronde kroon met slanke, overhangende takken. De zachte, donkergroene naalden staan in twee rijen langs de twijgen en geven het loof een sierlijk uiterlijk. De soort is tweehuizig en vrouwelijke bomen dragen opvallende, blauwgroene tot paarsachtige vruchten met een enkel zaad. Deze vruchten worden in Chili van oudsher gegeten en staan bekend om hun zoete smaak. Het hout van de lleuque is licht en fijn van structuur en werd vroeger gebruikt voor onder meer meubels en bouwwerk. De boom groeit langzaam en kan een hoge leeftijd bereiken, maar wilde populaties staan onder druk door bosverlies en veranderingen in het leefgebied. Vooral de combinatie van zacht loof en de opvallende blauwgroene vruchten maakt de lleuque een bijzondere verschijning binnen de Chileense flora.


Pseudotaxus chienii – witte bessentaxus

Pseudotaxus chienii – witte bessentaxus is een groenblijvende conifeer uit de taxusfamilie die uitsluitend voorkomt in het zuidoosten van China, waar hij groeit in vochtige bergbossen, kloven en op rotsachtige plaatsen. De soort blijft meestal een kleine boom of struik en heeft donkergroene, platte naalden die in twee rijen aan de twijgen staan. Aan de onderzijde zijn twee opvallend witte banen zichtbaar, een kenmerk waaraan de soort goed van echte taxussen te onderscheiden is. Pseudotaxus is bovendien een apart geslacht met slechts deze ene soort. De plant is tweehuizig en aan vrouwelijke exemplaren verschijnen na bestuiving de opvallende witte zaadmantels die de Nederlandse naam verklaren; bij taxussen zijn deze doorgaans rood. De bast is grijsbruin en laat bij oudere planten in stroken los. In het wild is de witte bessentaxus kwetsbaar door zijn beperkte verspreidingsgebied en geringe natuurlijke verjonging. Vooral de combinatie van het donkere loof en de helderwitte zaadmantels maakt deze zeldzame verwant van de taxus bijzonder herkenbaar.


Podocarpus hallii – berg-totara

Podocarpus hallii – berg-totara is een groenblijvende conifeer uit Nieuw-Zeeland, waar hij vooral voorkomt in bergachtige gebieden van het Noordereiland en Zuidereiland. De boom groeit langzaam en kan uiteindelijk ongeveer 20 meter hoog worden, vaak met een brede kroon en een stevige, grillig vertakte stam. De smalle, leerachtige bladeren zijn donkergroen en staan verspreid langs de twijgen. Zoals bij veel podocarpen verschijnen de zaden niet in gewone kegels, maar afzonderlijk op een vlezige, gekleurde zaaddrager. De berg-totara groeit vaak op plaatsen met arme of stenige bodems en is goed bestand tegen koude en droge omstandigheden. De bast van oudere bomen wordt dik en vezelig en kan in lange stroken loslaten. In vergelijking met de gewone totara blijft deze soort meestal kleiner en heeft hij een compactere groei. Zijn vermogen om onder ruige omstandigheden in het Nieuw-Zeelandse berglandschap te groeien, is kenmerkend voor deze bijzondere podocarp.


Podocarpus lawrencei – Lawrences podocarpus

Podocarpus lawrencei – Lawrences podocarpus is een groenblijvende conifeer uit het zuidoosten van Australië, waar hij voorkomt in de berggebieden van New South Wales en Victoria. In het wild groeit deze soort vaak als lage, brede struik tussen rotsen en op open hellingen, waar hij bestand is tegen koude, sneeuw en harde wind. De kleine, smalle bladeren zijn donkergroen en stevig en staan dicht langs de twijgen. Zoals bij andere podocarpen vormen de vrouwelijke planten geen gewone kegels, maar zaden die op een vlezige zaaddrager staan. De soort groeit langzaam en kan zeer oud worden. Door zijn compacte groeiwijze en grote winterhardheid is hij goed aangepast aan het ruige klimaat van de Australische hooglanden. Vooral in zijn natuurlijke omgeving valt op hoe laag en gedrongen de plant kan blijven, een duidelijk verschil met veel hoger groeiende podocarpen.


Podocarpus nivalis – sneeuw-totara

Podocarpus nivalis – sneeuw-totara is een groenblijvende conifeer uit de berggebieden van Nieuw-Zeeland, waar hij vooral voorkomt op het Zuidereiland en Stewart Island. In zijn natuurlijke omgeving groeit hij vaak als lage, breed uitgroeiende struik op open hellingen en in gebieden waar sneeuw, vorst en harde wind voorkomen. De kleine, stevige bladeren zijn donkergroen en staan dicht langs de twijgen. De soort is tweehuizig en vormt, zoals kenmerkend voor podocarpen, geen gewone kegels maar zaden die op vlezige zaaddragers staan. Door zijn geringe hoogte en dichte groei kan de sneeuw-totara goed omgaan met het ruige klimaat van de Nieuw-Zeelandse bergen. De soortnaam nivalis betekent ‘van de sneeuw’ en verwijst naar deze natuurlijke leefomgeving. Zijn lage, gedrongen groeivorm is daarmee geen toeval, maar een duidelijke aanpassing aan het leven boven de boomgrens.



Cephalotaxus harringtonia – Japanse staartjesboom · Cryptomeria japonica 'Cristata' – Japanse cipres · Cryptomeria japonica – Japanse cipres · Sciadopitys verticillata – parasolden · Sequoiadendron giganteum – mammoetboom · Sequoia sempervirens – kustmammoetboom · Torreya nucifera – Japanse torreya · Torreya californica – Californische torreya · Taiwania cryptostroboides – Taiwanese cipres · Taxodium distichum – moerascipres · Taxodium mucronatum – Mexicaanse moerascipres · Taxus baccata 'Standishii' – goudgele taxus · Taxus chinensis – Chinese taxus · Taxus cuspidata – Japanse taxus · Prumnopitys andina – lleuque · Pseudotaxus chienii – witte bessentaxus · Podocarpus hallii – berg-totara · Podocarpus lawrencei – Lawrences podocarpus · Podocarpus nivalis – sneeuw-totara